Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO3410

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
15-03-2011
Zaaknummer
09/02301
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO3410
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid cassatieberoep. Verontschuldigbare termijnoverschrijding. Op grond van het gestelde in de cassatieschriftuur moet ervan worden uitgegaan dat de dag waarop de onderhavige zaak door het hof zou worden behandeld, te weten 9 januari 2009, de verdachte tevoren bekend was. Dat brengt mee dat het cassatieberoep is ingesteld met overschrijding van de voorgeschreven termijn. Gelet evenwel op aan de Advocaat-Generaal verstrekte informatie valt niet uit te sluiten dat de verdachte mede door tekortschietende informatie van de zijde van het hof in de mening is komen te verkeren dat op 9 januari 2009 geen zaak tegen hem zou worden behandeld. De HR vindt daarin aanleiding de verdachte ontvankelijk te achten in het cassatieberoep. Cassatiemiddelen klagen terecht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep buiten aanwezigheid van de verdachte heeft plaatsgevonden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 432
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2011/134
RvdW 2011/403
NJB 2011, 746
NBSTRAF 2011/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 maart 2011

Strafkamer

Nr. 09/02301

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, Enkelvoudige Kamer, van 9 januari 2009, nummer 24/001377-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.L. van Lookeren Campagne, advocaat te

's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het door hem ingestelde beroep.

2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1. De stukken van het geding houden het volgende in:

(i) de verdachte is bij vonnis van 3 januari 2008 door de Kantonrechter in de Rechtbank te Assen wegens 'als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden' bij verstek veroordeeld tot twee weken hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden;

(ii) de verdachte heeft op 23 mei 2008 hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis;

(iii) de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2009 is op 7 november 2008 uitgereikt overeenkomstig art. 588, derde lid onder c, Sv;

(iv) het Hof heeft de verdachte bij het bestreden arrest van 9 januari 2009 bij verstek veroordeeld tot twee weken hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden;

(v) de verdachte heeft tegen dat arrest op 30 januari 2009 beroep in cassatie ingesteld.

2.2. De schriftuur vangt aan met het betoog dat de verdachte ontvankelijk is in het cassatieberoep. Dat betoog houdt zakelijk weergegeven het volgende in.

De verdachte is behalve voor de onderhavige overtreding nog voor eenzelfde, op een eerdere datum begane overtreding vervolgd. Die zaak heeft voor het eerst voor het Hof gediend op 23 mei 2008 en is toen voor onbepaalde tijd aangehouden. Vervolgens is de verdachte in die zaak opgeroepen voor de nadere terechtzitting van het Hof van 30 januari 2009.

De verdachte heeft op 8 januari 2009 telefonisch contact gehad met de griffie van het Hof, omdat hij niet begreep dat hij zowel op 9 januari 2009 en als op 30 januari 2009 ter terechtzitting moest verschijnen. Hem is medegedeeld dat er alleen op 30 januari 2009 een zaak tegen hem zal worden behandeld.

2.3. Naar aanleiding van een verzoek om informatie van de Advocaat-Generaal is binnengekomen een brief van een juridisch medewerker van het Hof. Deze brief houdt het volgende in:

"Zowel ter terechtzitting van 23 mei 2008 als die van 30 januari 2009 is mr. H.M. Poelman bijgestaan door ondergetekende als griffier. In de aantekeningen van de griffier van de zitting van 30 januari 2009 staat het volgende, zakelijk weergegeven.

Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting deelt [verdachte] het volgende mee.

Eergisteren heb ik de uitspraak in de zaak met parketnummer 24-001377-08 ontvangen. Die zaak heeft ook betrekking op de Kawasaki. Naar aanleiding van de uitspraak heb ik gisteren telefonisch contact opgenomen met het hof. Toen ik op 8 januari 2009 telefonisch contact opnam met het hof in verband met de zitting van 9 januari 2009, is mij meegedeeld dat er alleen op

30 januari 2009 een zaak van mij gepland staat en niet op 9 januari 2009.

Op de vraag van de voorzitter welk parketnummer hij tijdens het telefoongesprek op 8 januari 2009 genoemd heeft, antwoordt [verdachte] dat hij een ander parketnummer heeft genoemd dan dat van de zaak waarin op 9 januari 2009 uitspraak is gedaan.

De voorzitter deelt mee dat hij zich bij de voorbereiding van de zaak van 9 januari 2009 niet heeft gerealiseerd dat het om dezelfde verdachte ging, dat hij niets meer aan zijn uitspraak van 9 januari 2009 kan veranderen en dat [verdachte] desgewenst cassatie kan instellen.

De strafgriffie van het hof houdt geen dagjournaal of (telefoon)administratie bij. Slechts in bijzondere gevallen wordt een telefoonnotitie gemaakt. Het door [verdachte] op 8 januari 2009 gebelde telefoonnummer (058-2341821) is het telefoonnummer van de Sector Civiel en Belastingrecht, griffie dagvaardingszaken. Het telefoonnummer van de strafgriffie is 058-2341893. Indien iemand het nummer van de verkeerde afdeling belt en voldoende duidelijk aangeeft waarover hij inlichtingen wenst, zal hij worden doorverbonden met of doorverwezen naar de juiste afdeling.

In de zaak met parketnummer 24-001377-08 heeft [betrokkene 1], medewerkster strafgriffie, op 29 januari 2009 in Nias bijgevoegde aantekening gemaakt van haar telefoongesprek met [verdachte]."

2.4. Voorts is als bijlage bij deze brief een aantekening gevoegd van een telefoongesprek dat een medewerkster van de strafgriffie van het Hof op 29 januari 2009 met de verdachte heeft gehad. Deze aantekening houdt het volgende in:

"[Verdachte] belde vanmorgen. Hij had het arrest ontvangen, maar begreep het niet helemaal. Hij heeft (volgens zijn zeggen) op 7/1 gebeld met iemand (wie weet hij niet, ook niet of het met de griffie of met het parket was) met de vraag of hij 9/1 een zitting had. Er is hem toen medegedeeld dat de zitting 30/1 is. Het is natuurlijk niet meer na te gaan wat er over en weer gezegd is, maar hoogstwaarschijnlijk heeft hij toen het parketnummer doorgegeven van de zaak die 30/1 op zitting staat. Maar omdat hij begrepen heeft dat er alleen op 30/1 zaken behandeld gaan worden is hij op 9/1 niet verschenen. Ik heb hem uitgelegd dat de uitspraak vast staat en dat hij evt. nog in cassatie kan."

2.5. Op grond van het gestelde in de cassatieschriftuur moet ervan worden uitgegaan dat de dag waarop de onderhavige zaak door het Hof zou worden behandeld, te weten 9 januari 2009, de verdachte tevoren bekend was. Dat brengt mee dat het cassatieberoep is ingesteld met overschrijding van de voorgeschreven termijn. Gelet evenwel op de hiervoor genoemde, aan de Advocaat-Generaal verstrekte informatie, valt niet uit te sluiten dat de verdachte mede door tekortschietende informatie van de zijde van het Hof in de mening is komen te verkeren dat op 9 januari 2009 geen zaak tegen hem zou worden behandeld. De Hoge Raad vindt daarin aanleiding de verdachte ontvankelijk te achten in het cassatieberoep.

3. Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad begrijpt de middelen aldus dat zij in aansluiting op het in de schriftuur vervatte betoog dat de verdachte ontvankelijk is in het cassatieberoep, klagen dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep ten onrechte buiten aanwezigheid van de verdachte heeft plaatsgevonden. Uit hetgeen hiervoor onder 2.5 omtrent de ontvankelijkheid van het cassatieberoep is overwogen, vloeit voort dat de middelen gegrond zijn, zodat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink, H.A.G. Splinter-van Kan en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 15 maart 2011.