Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO2962

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
09/03392 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO2962
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklag. 1. Art. 552a Sv. 2. Belanghebbende. Ad 1. Rb heeft geoordeeld dat niet klager maar een ander als eigenaar van de onder laatstgenoemde inbeslaggenomen auto dient te worden aangemerkt. Dat oordeel is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk, mede gelet op het summiere karakter van het onderzoek naar aanleiding van het klaagschrft a.b.i. art. 552a Sv en in aanmerking genomen dat het in de beklagprocedure gaat om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp (vgl. HR LJN BL2823). Ad 2. Rb heeft klager ten onrechte n-o verklaard. Voor de vraag of klager als belanghebbende i.z.v. art. 552a Sv kan gelden en dientengevolge in het beklag kan worden ontvangen is niet beslissend of hij als eigenaar kan worden aangemerkt, maar of hij gesteld heeft eigenaar te zijn (vgl. HR LJN AN8586). Behoeft i.c. niet tot cassatie te leiden, omdat Rb blijkens de bestreden beschikking van die stelling is uitgegaan en het klaagschrift en de daarin ingenomen stellingen omtrent de aanspraken van klager inhoudelijk heeft beoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/276
NJB 2011, 471
JOW 2011/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 februari 2011

Strafkamer

Nr. 09/03392 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Roermond van 11 augustus 2009, nummer RK 09/638, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[Klager 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking met terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank te Roermond opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beklag en dat zij haar oordeel dat een ander dan de klager als eigenaar moet worden aangemerkt, ontoereikend heeft gemotiveerd.

2.2. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Onder [klager 2], tegen wie in het kader van een strafrechtelijk onderzoek de verdenking is gerezen van witwassen, is op 11 juni 2009 een personenauto inbeslaggenomen van het merk Mercedes Benz, met kenteken [AA-00-BB]. [Klager 2] en de klager hebben beiden een klaagschrift ingediend, zoals bedoeld in art. 552a, eerste lid, Sv, strekkende tot teruggave van deze personenauto.

2.3. Bij de beoordeling van deze klaagschriften diende de Rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd, in welk geval de teruggave aan die rechthebbende moet worden gelast (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.8).

2.4. De bestreden beschikking houdt onder meer het volgende in:

"De raadsman heeft ter zitting - samengevat weergegeven - het volgende betoogd.

[Klager 2] (hierna: [klager 2]) heeft van klager een bedrag van € 22.000 geleend voor de aankoop van de hiervoor vermelde personenauto en klager blijft eigenaar van de auto totdat de gehele lening door [klager 2] is terugbetaald, hetgeen een vorm van fiduciaire eigendomsoverdracht is die volstrekt vormvrij kan worden overeengekomen. Tot voor kort was dat ook naar Nederlands recht een gebruikelijke vorm van zekerheidstelling.

De overeenkomst is in Duitsland gesloten waardoor de overeenkomst wordt beheerst door Duits recht. Naar Duits recht bestaat de Sicherheitsübereignung gewoon nog als vorm van zekerheidsverschaffing. Zowel klager als [klager 2] zijn het volstrekt eens over de uitleg van de overeenkomst.

Hoofdregel van het beslagrecht is dat het in beslag genomen voorwerp terug gaat naar de beslagene tenzij een ander redelijkerwijs wordt vermoed de rechthebbende te zijn.

Klager is eigenaar van de auto en [klager 2] had de auto rechtmatig in bezit.

De auto dient teruggegeven te worden aan klager als rechthebbende.

De belangen van strafvordering verzetten zich niet tegen teruggave, nu er geen sprake is van enige verdenking van enig strafbaar feit jegens klager.

De raadsman heeft ter zake een pleitnota overgelegd, waarnaar voor de overige onderbouwing wordt verwezen.

Door de officier van justitie is ter zitting betoogd dat er tegen klager inderdaad geen enkele verdenking bestaat. Nu uit de stukken en het onderzoek ter zitting evenwel voldoende blijkt dat klager niet de eigenaar van de inbeslaggenomen auto is, dient klager niet ontvankelijk in het klaagschrift te worden verklaard.

De rechtbank overweegt als volgt.

Door de raadsman is gesteld dat op basis van het "Darlehnsvertrag" d.d. 6 maart 2009 de eigendom van de personenauto naar Duits recht vormvrij is overgedragen aan klager, te weten door een fiduciaire eigendomsoverdracht; zo lang de auto niet volledig is betaald, behoort deze aan klager in eigendom toe.

Klager heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij aan [klager 2] een lening heeft verstrekt van € 22.000 voor de aankoop van de inbeslaggenomen auto en daartoe heeft hij met [klager 2] een Darlehnsvertrag opgemaakt. Klager, gevraagd naar het gemaakte eigendomsvoorbehoud, verklaarde vervolgens dat hij deze steeds in zijn overeenkomsten opneemt als hij spullen verkoopt, doch in dit geval had hij niet aan [klager 2] verkocht en de auto is ook nooit van hem, van klager, geweest; klager heeft aan [klager 2] slechts het geld geleend voor de aankoop van die auto die [klager 2] een tijdje zou rijden en bij de verkoop zou hij de lening meteen aan klager terugbetalen.

Uit de stukken blijkt voorts dat [klager 2] met die geleende € 22.000 op 9 maart 2009 de inmiddels inbeslaggenomen auto heeft gekocht, die auto sedertdien op [klager 2]s naam staat en die auto ook door [klager 2] is verzekerd.

De rechtbank constateert dat een Darlehensvertrag letterlijk vertaald een leningsovereenkomst dan wel een leencontract betreft. Een leningsovereenkomst waarbij klager aan [klager 2] geld leent voor de aankoop van een auto en waar de tegenprestatie voor [klager 2] bestaat uit het maandelijks terugbetalen van € 500 en uiterlijk op 15 april 2013 een totaalbedrag van € 25.000; bij verkoop of vervreemding van de auto wordt het totaalbedrag direct opeisbaar.

Deze overeenkomst spreekt op geen enkele wijze van een (fiduciaire) eigendomsoverdracht van de auto zoals door de raadsman is betoogd. Dat deze fiduciaire eigendomsoverdracht wel als zodanig door klager en [klager 2] bij de overeenkomst is beoogd als vorm van zekerheidsverschaffing, zou weliswaar kunnen volgen uit de verklaring van [klager 2], doch zulks vindt geen bevestiging in de feitelijke gang van zaken, noch in het "Darlehnsvertrag" als zodanig dat slechts spreekt van een eigendomsvoorbehoud, noch in de verklaring van klager dienaangaande. Dat van een fiduciaire eigendomsoverdracht sprake is in de zin dat klager als eigenaar dient te gelden van de inbeslaggenomen auto acht de rechtbank in de onderhavige beslagprocedure onvoldoende aangetoond. Het belang bij teruggave is zijdens klager dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Los van de civielrechtelijke aanspraak die klager op [klager 2] heeft uit hoofde van de geldlening doet dit niets af aan de feitelijke eigendomssituatie van de inbeslaggenomen auto, zoals die thans voorligt. [klager 2] dient in dezen als eigenaar van de auto te worden aangemerkt. Niet kan worden gezegd dat klager uit hoofde van de geldlening - die volgens klager strekt tot terugbetaling door [klager 2] aan klager van € 25.000 - als rechthebbende aanspraak kan maken op afgifte van de inbeslaggenomen auto.

Nu klager niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, dient klager niet ontvankelijk in zijn klaagschrift te worden verklaard."

2.5. De Rechtbank heeft aldus geoordeeld dat niet de klager maar [klager 2] als eigenaar van de onder laatstgenoemde inbeslaggenomen auto dient te worden aangemerkt. Anders dan in het middel wordt betoogd, is dat oordeel ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk, mede gelet op het summiere karakter van het onderzoek naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv en in aanmerking genomen dat het in de beklagprocedure gaat om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.2 en 2.13). Mitsdien faalt de hierop betrekking hebbende klacht van het middel.

2.6. De klacht dat de Rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, treft doel nu de Rechtbank heeft miskend dat voor de vraag of de klager als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv kan gelden en dientengevolge in het beklag kan worden ontvangen, niet beslissend is of hij als eigenaar van de personenauto kan worden aangemerkt maar of hij heeft gesteld daarvan eigenaar te zijn (vgl. HR 6 januari 2004, LJN AN8586, NJ 2004/179). Dat behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, omdat de Rechtbank blijkens de bestreden beschikking is uitgegaan van die stelling en het klaagschrift en de daarin ingenomen stellingen omtrent de aanspraken van de klager inhoudelijk heeft beoordeeld, zoals hiervoor weergegeven.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 februari 2011.