Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO2595

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
08/05039
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO2595
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schuld ex art. 6 WVW 1994. HR stelt de relevante overwegingen uit HR LJN AO5822 voorop. Het Hof heeft onder meer het volgende vastgesteld. De voetgangster bevond zich op het zebrapad van de weg. Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto vaart verminderd voor de haaientanden van de kruising met de weg waarop de voetgangster zich bevond; op dat moment bevond verdachte zich op een afstand van ongeveer 40 meter van de voetgangster. Verdachte is daarna ineens hard opgetrokken en linksaf geslagen en heeft niet dan wel te laat opgemerkt dat de voetgangster op dat moment de weg van rechts naar links overstak. Verdachte, die aan de voetgangster heeft verklaard dat de ruiten van zijn auto waren beslagen en hij daardoor de voetgangster niet goed heeft gezien, is met zijn auto tegen de voetgangster aangereden. Gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de tijd gedurende welke de voetgangster op het zebrapad voor verdachte zichtbaar is geweest en verdachte haar dus moet hebben kunnen waarnemen en gelet op de verklaring van verdachte over de oorzaak van het ongeval, heeft het Hof de bewezenverklaarde schuld uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. De bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/200
VR 2012/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 januari 2011

Strafkamer

nr. 08/05039

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 november 2008, nummer 22/006169-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 onvoldoende met redenen is omkleed.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 25 november 2005 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de Veemstraat en de Posthumalaan, althans op één van deze wegen, welk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam en onzorgvuldig rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, komende uit de richting van de Veemstraat linksaf de Posthumalaan is opgereden en een voetgangersoversteekplaats is opgereden en daarbij een voetganger, die doende was die oversteekplaats van rechts naar links, gezien vanuit verdachte, over te steken en die de oversteekplaats reeds voor de helft was overgestoken niet of te laat heeft opgemerkt en die voetganger, in strijd met de op hem, verdachte, rustende plicht, niet heeft laten voorgaan en met het door hem bestuurde voertuig tegen die voetganger is aangereden of aangebotst, ten gevolge waarvan die voetganger ten val kwam, waardoor die voetganger, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel te weten zwaar beenletsel werd toegebracht."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Op 25 november 2005, omstreeks 16.30 uur, reed ik in mijn auto, een Opel met kenteken [AA-00-BB], over de Veemstraat te Rotterdam. Aan het einde van de Veemstraat sloeg ik linksaf de Posthumalaan in. Toen ik de Posthumalaan indraaide, stak er op dat moment van mijn kant gezien van rechts naar links een meisje via het zebrapad de Posthumalaan over. Ik kon het meisje niet meer ontwijken en ik ben met mijn auto tegen haar aangereden. Ik heb na het ongeval mijn naam en een telefoonnummer op een briefje achtergelaten. Dat telefoonnummer klopte niet. Ik reed ongeveer 25 km/h. Ik heb later niet meer geïnformeerd naar de toestand het meisje, want ik wist haar naam niet. Achteraf is gebleken dat ten tijde van het ongeval geen aansprakelijkheidsverzekering voor mijn auto was afgesloten."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Aan het einde van de Veemstraat wilde ik linksaf de Posthumalaan oprijden. Ik reed de Posthumalaan op en zag net te laat dat er een meisje overstak. Ik trapte meteen op de rem maar ik was al te laat. Ik raakte het meisje tegen haar linkerbeen."

c. de verklaring van de getuige [slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Ik kan mij het ongeval goed herinneren. Ik liep op 25 november 2005, omstreeks 16.30 uur, op de Posthumalaan te Rotterdam. Ik wilde rechtsaf naar de Veemstraat en daarvoor moest ik de Posthumalaan oversteken. Toen ik voor het zebrapad stond zag ik schuin links voor mij een auto die uit de Veemstraat kwam, op ongeveer 40 meter afstand van mij. Omdat de auto op dat moment vaart minderde voor de haaientanden op de weg bij de kruising met de rijbaan van de Posthumalaan, dacht ik dat het wel veilig was om over te steken. Ik ging er vanuit dat de auto voor de haaientanden zou stoppen. De auto stopte echter niet maar trok ineens hard op en sloeg, vanuit de richting van de auto gezien, linksaf in mijn richting de rechter rijbaan van de Posthumalaan op. Ik stond op dat moment al halverwege het zebrapad en ik zag de auto met een redelijke snelheid op mij afkomen. Ik werd vervolgens door de auto aangereden. Ik kwam ten val en ben op de weg terechtgekomen. Er kwam een man naar mij toe, van wie ik nu weet dat het de bestuurder van de auto die mij had aangereden was. Hij vertelde mij dat de ruiten van zijn auto beslagen waren en dat hij mij daardoor niet goed had gezien."

d. een formulier Medische informatie/letselbeschrijving betreffende [slachtoffer], opgemaakt door J.R. van Leeuwen, forensisch arts, voor zover inhoudende:

"Letselbeschrijving en conclusie:

Op 25-11-2005; breuk van het linker scheenbeen ter hoogte van het kniegewricht.

Genezingsduur: maanden"

2.3. Vooropgesteld moet worden dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 - in het onderhavige geval het bewezenverklaarde aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam en met aanmerkelijke verwaarlozing van de ten dezen geboden zorgvuldigheid rijden - uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005/252).

2.4. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen onder meer het volgende vastgesteld. De voetgangster [slachtoffer] heeft zich op het zebrapad van de Posthumalaan begeven toen de verdachte op de Veemstraat vaart verminderde vóór de haaientanden bij de kruising met de Posthumalaan en zijn auto zich op een afstand van ongeveer 40 meter van haar vandaan bevond. De verdachte is daarna ineens hard opgetrokken en is linksaf de Posthumalaan ingedraaid. Hij heeft niet dan wel te laat opgemerkt dat [slachtoffer] doende was de Posthumalaan op het zebrapad - van zijn kant gezien - van rechts naar links over te steken. De verdachte kon [slachtoffer], die de oversteekplaats reeds voor de helft was overgestoken, niet meer ontwijken en is met zijn auto tegen haar aangereden. De verdachte heeft aan [slachtoffer] verklaard dat de ruiten van zijn auto beslagen waren en dat hij haar daardoor niet goed had gezien.

2.5. In aanmerking genomen hetgeen het Hof aldus heeft vastgesteld omtrent de tijd gedurende welke het latere slachtoffer op het zebrapad voor de verdachte zichtbaar is geweest en hij haar dus moet hebben kunnen waarnemen, omtrent de manier van rijden van de verdachte in deze verkeerssituatie en omtrent hetgeen hij tegenover [slachtoffer] over de oorzaak van het ongeval heeft verklaard, heeft het Hof de bewezenverklaarde schuld uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. De bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd.

2.6. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier maanden.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze drie maanden en drie weken beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 25 januari 2011.