Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BO1337

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-09-2011
Datum publicatie
30-09-2011
Zaaknummer
09/05101
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BO1337
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBHAA:2009:BK4960
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Douanerechten; artikelen 50 en 203, lid 3, vierde gedachtestreepje, CDW. Aanvang aansprakelijkheid als aangever van goederen voor de douaneregeling douanevervoer. Wat is het tijdstip waarop goederen de status ‘in tijdelijke opslag’ hebben verloren en zijn geplaatst onder de douaneregeling douanevervoer? Prejudiciële vraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2397
V-N 2011/51.26 met annotatie van Redactie
BNB 2011/267
FutD 2011-2323
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 09/05101

30 september 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 6 november 2009, nr. AWB 08/7005, betreffende aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting.

1. Het geding in feitelijke instantie

Belanghebbende is bij één aanslagbiljet van 3 juli 2008 uitgenodigd tot betaling van douanerechten en omzetbelasting. De uitnodigingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

De Rechtbank heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de uitnodigingen tot betaling vernietigd. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Minister van Financiën heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 30 september 2010 geconcludeerd tot gegrond verklaren van het beroep in cassatie. De conclusie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Op 6 november 2007 heeft belanghebbende op elektronische wijze aangifte gedaan tot plaatsing onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer van een zich in een container bevindende partij gekoeld rundvlees. De aangifte is op dezelfde dag om 11.36 uur op het douanekantoor Q ontvangen.

De douaneautoriteiten hebben deze aangifte direct aanvaard. De container, waarop de aangifte betrekking had, bevond zich op dat moment op het terrein van de containerterminal van E (hierna: E). De container was daarvóór vanuit Brazilië naar Nederland verscheept, door E van het schip gelost en op haar terrein neergezet in afwachting van het verkrijgen van een douanebestemming voor de zich in de container bevindende goederen. De goederen hadden op het tijdstip waarop de hiervoor vermelde douaneaangifte voor de regeling douanevervoer werd gedaan de status van goederen in tijdelijke opslag als bedoeld in artikel 50 van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW).

3.1.2. De douaneautoriteiten hebben op 7 november 2007 om 9.00 uur de container vrijgegeven, direct nadat zij deze hadden voorzien van een douaneverzegeling. De container is nog dezelfde dag over de openbare weg vervoerd naar degene voor wie het rundvlees was bestemd, C B.V., gevestigd op R. Laatstgenoemde beschikte over een zogeheten vergunning toegelaten geadresseerde. Bij aankomst van de container heeft dit bedrijf vastgesteld dat de douaneverzegeling nog intact was. Vervolgens heeft zij bij de lossing geconstateerd dat de container 2 colli rundvlees minder bevatte dan volgens de douaneaangifte aanwezig zouden zijn geweest. De container vertoonde volgens C B.V. geen sporen van braak.

3.1.3. Omdat de douaneautoriteiten van het douanekantoor Q geen bevestiging ontvingen van de aankomst van de goederen bij C B.V., hebben zij een onderzoek ingesteld. Op 27 december 2007 hebben zij kennis gekregen van de hiervoor in 3.1.2 weergegeven bevindingen van C B.V.

De douaneautoriteiten hebben belanghebbende in haar hoedanigheid van aangever op 19 februari 2008 van deze bevindingen op de hoogte gesteld en haar de gelegenheid geboden nadere informatie te verstrekken over de ontbrekende goederen. Belanghebbende heeft niet gereageerd, waarna de douaneautoriteiten belanghebbende hebben uitgenodigd tot betaling van douanerechten en omzetbelasting.

3.2.1. Voor de Rechtbank was niet in geschil dat het vermis van de twee colli rundvlees niet was ontstaan tijdens het vervoer van de container van het terrein van E naar de bedrijfsvestiging van C. Uitgaande van het vermoeden dat het vermis van de twee colli moet zijn ontstaan voorafgaand aan het aanbrengen van de douaneverzegeling van de container, was voor de Rechtbank in geschil of belanghebbende als aangever voor de regeling douanevervoer aansprakelijk kan worden gehouden voor een vermis waarvan vermoed moet worden dat dit is ontstaan tussen het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte voor douanevervoer en het tijdstip van het aanbrengen van de douaneverzegeling op de container met aansluitend de vrijgave van de goederen voor douanevervoer.

3.2.2. De Rechtbank heeft geoordeeld dat niet-communautaire goederen die het douanegebied zijn binnengebracht, bij de douane zijn aangebracht en vervolgens zijn aangegeven voor plaatsing onder de douaneregeling douanevervoer, de status van 'goederen in tijdelijke opslag' behouden tot het moment waarop de douane de goederen vrij geeft, zodat de bepalingen die gelden voor de douaneregeling douanevervoer belanghebbende niet kunnen worden tegengeworpen.

De Rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende gedurende de periode van de tijdelijke opslag tot het moment waarop de douaneautoriteiten de goederen hebben vrijgegeven voor douanevervoer, niet als douaneschuldenaar in de zin van artikel 203, lid 3, vierde gedachtestreepje, van het CDW kan worden aangemerkt. Daartoe overwoog de Rechtbank dat, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 september 2005, United Antwerp Maritime Agencies NV, C-140/04, punten 35 tot en met 39, Douanerechtspraak 2005/101 - belanghebbende gedurende die periode niet de goederen in haar feitelijke macht had en evenmin onder zich had om deze te verplaatsen of op te slaan.

3.3. In het tweede onderdeel van het middel wordt betoogd dat ook indien de goederen na aanvaarding van de douaneaangifte voor de regeling douanevervoer de status tijdelijke opslag behouden tot het tijdstip waarop de douaneautoriteiten de goederen hebben vrijgegeven, de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende niet als douaneschuldenaar in de zin van artikel 203, lid 3, vierde gedachtestreepje, van het CDW kan worden aangemerkt.

Dit middelonderdeel faalt. Het hiervoor in 3.2.2 als tweede vermelde oordeel van de Rechtbank geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk gemotiveerd.

3.4.1. Het eerste middelonderdeel bestrijdt het hiervoor in 3.2.2 als eerste vermelde oordeel van de Rechtbank met het betoog dat door de aanvaarding van de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling douanevervoer de goederen de status 'goederen in tijdelijke opslag' hebben verloren en dat alsdan een aansprakelijkheid voor de goederen ontstaat voor de persoon die de verplichtingen, welke voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling douanevervoer, dient na te komen. In het onderhavige geval was daarom na aanvaarding van de douaneaangifte voor de regeling douanevervoer niet E maar belanghebbende in zijn hoedanigheid van aangever van het douanevervoer de aangewezen persoon die op de voet van artikel 203, lid 3, vierde gedachtestreepje, van het CDW verantwoordelijk kon worden gehouden voor een vermis van de goederen, aldus nog steeds het eerste middelonderdeel.

3.4.2. Met betrekking tot het eerste middelonderdeel wordt het volgende vooropgesteld.

Op grond van artikel 50 van het CDW behouden bij de douane aangebrachte goederen de status van goederen in tijdelijke opslag tot het tijdstip waarop zij een douanebestemming krijgen. Onder 'douanebestemming van goederen' wordt ingevolge artikel 4, lid 15, letter a, van het CDW verstaan de plaatsing van goederen onder een douaneregeling. Ingevolge artikel 59, lid 1, van het CDW moet voor goederen die zijn bestemd om onder een douaneregeling te worden geplaatst, een aangifte tot plaatsing onder deze regeling worden gedaan.

3.4.3. De vraag rijst wat precies het in artikel 50 van het CDW vermelde tijdstip is, waarop goederen in tijdelijke opslag een douanebestemming krijgen en (daarmee) de status van goederen in tijdelijke opslag verliezen. Uit de douanewetgeving kan dat niet eenduidig worden afgeleid.

Het middel voert aan dat het gaat om het tijdstip waarop de aangifte voor een douaneregeling wordt aanvaard. In artikel 67 van het CDW is bepaald dat de datum van aanvaarding van de aangifte in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van alle bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven. Gelet op de bedoeling van deze bepaling wordt onder 'datum' verstaan een dag van 24 uur, van 0.00 uur tot en met 24.00 uur. Het is daarom de vraag of artikel 67 van het CDW van belang is voor het antwoord op de vraag op welk (op de seconde bepaalde) tijdstip goederen in tijdelijke opslag een douanebestemming krijgen. Niettemin zou uit artikel 67 van het CDW kunnen worden afgeleid dat met de aanvaarding van de aangifte voor een douaneregeling de bepalingen gaan gelden, die verbonden zijn aan een douaneregeling. Als daarbij het precieze tijdstip van belang is, moet dus worden uitgegaan van het tijdstip van de aanvaarding.

Uit de artikelen 73 en 74, lid 2, van het CDW kan echter worden afgeleid dat beslissend is het moment waarop de douaneautoriteiten de goederen vrijgeven, omdat deze vrijgave niet eerder mag plaatsvinden dan wanneer is voldaan aan de voorwaarden voor de plaatsing van de goederen onder de betrokken regeling en de vrijgave van goederen in het geval van de regeling douanevervoer waarvoor het stellen van een zekerheid wordt geëist, niet eerder kan worden toegestaan dan nadat deze zekerheid is gesteld. Tot het moment van vrijgave door de douaneautoriteiten blijven dan de bepalingen en de aansprakelijkheid gelden zoals die voortvloeien uit de daaraan voorafgaande tijdelijke opslag van de goederen.

Voor deze laatste zienswijze is onder meer steun te vinden in Duitse literatuur (zie de onderdelen 7.23.1, 7.23.2 en 7.23.3 van de conclusie van de Advocaat-Generaal) en in de zogenoemde Transit Manual van de Europese Commissie (TAXUD/A3/0007/2010, blz. 35 en 36; zie de onderdelen 7.24 en 7.25 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).

3.5. Gelet op het hiervoor in 3.4 overwogene zal de Hoge Raad op de voet van artikel 267 VWEU een vraag voorleggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de uitlegging van unierecht.

4. Beslissing

De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak te doen over de volgende vraag:

Wat is het tijdstip waarop niet-communautaire goederen een douanebestemming verkrijgen in de zin van artikel 50 van het CDW, in een geval waarin goederen met de status 'in tijdelijke opslag' zijn aangegeven voor plaatsing onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer?

De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van vorenstaand verzoek uitspraak heeft gedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2011.