Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BN8719

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2011
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
09/04851
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BN8719
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard, zie ook het arrest 09/04850.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 09/04851

8 april 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Breda gedagtekend 19 februari 2010, nr. AWB 08/2176, betreffende een aanslag in het recht van successie.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging uit de nalatenschap van A, overleden in 2002, (hierna: erflater) een aanslag in het recht van successie opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.

De Rechtbank heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.

De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 8 september 2010 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Erflater, de vader van belanghebbende, had de Nederlandse nationaliteit en is overleden op 7 oktober 2002. Hij woonde tot 1996 in Nederland; ten tijde van zijn overlijden woonde hij in België. Erflater was in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

3.1.2. Belanghebbende is gerechtigd tot een vierde gedeelte van de nalatenschap van erflater (hierna: de nalatenschap).

3.1.3. Tot de nalatenschap behoort de helft van de aandelen in het kapitaal van een in Nederland gevestigde besloten vennootschap (hierna ook: het aandelenpakket). Deze vennootschap, waarvan erflater - samen met zijn echtgenote - alle aandelen bezat, was op het moment van overlijden van erflater een onroerendezaaklichaam in de zin van artikel 4 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: Wet BRV).

3.1.4. De nalatenschap is op grond van artikel 3, lid 1, van de Successiewet 1956 (hierna: SW) in Nederland in het recht van successie betrokken.

3.1.5. De nalatenschap is in België eveneens in het recht van successie betrokken omdat erflater daar zijn laatste woonplaats had.

3.1.6. Ingevolge artikel 48 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 verleent Nederland in een geval als het onderhavige een vermindering van het successierecht voor in de verkrijging begrepen bezittingen voor zover ter zake van die verkrijging in België successierecht wordt geheven. Deze vermindering is niet van toepassing ten aanzien van bezittingen waarover op de voet van artikel 5 SW recht van overgang verschuldigd zou zijn indien artikel 3, lid 1, SW niet van toepassing zou zijn.

3.1.7. Het recht van overgang wordt onder meer geheven van de waarde van in Nederland gelegen onroerende zaken. Ingevolge artikel 5, lid 5, SW worden fictieve onroerende zaken als bedoeld in artikel 4 Wet BRV gelijkgesteld met onroerende zaken.

3.1.8. De Inspecteur heeft geen vermindering ter voorkoming van dubbele belasting verleend ter zake van de verkrijging van het aandelenpakket.

3.1.9. Naar Belgisch recht beschouwd zijn de aandelen roerende zaken ter zake waarvan aldaar successierecht geheven wordt zonder dat voorkoming van dubbele belasting wordt verleend.

3.2. De Rechtbank heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval geen sprake is van strijd met het gemeenschapsrecht. Daartegen richt zich het middel.

3.3.1. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat belanghebbende dezelfde Nederlandse belastingdruk zou hebben ondergaan indien de erflater steeds in Nederland had gewoond, en derhalve sprake zou zijn geweest van een zuiver binnenlandse situatie. Van directe of indirecte discriminatie door Nederland is derhalve geen sprake.

3.3.2. Belanghebbende moet in totaal, in Nederland en België tezamen, meer successierecht betalen dan wanneer de erflater in Nederland was blijven wonen, aangezien zowel België als Nederland in het onderhavige geval successierecht heft ter zake van de verkrijging van het aandelenpakket. De oorzaak van die dubbele heffing is gelegen in de omstandigheid dat Nederland voor de belastingplicht aanknoopt bij de Nederlandse nationaliteit van de erflater, in combinatie met diens woonplaats in Nederland minder dan tien jaren voor zijn overlijden, terwijl België voor de belastingplicht aanknoopt bij de laatste woonplaats van de erflater. Deze dubbele heffing blijft in stand doordat in de verhouding tussen Nederland en België geen belastingverdrag bestaat dat aan deze heffing in de weg staat, en Nederland noch België op grond van zijn nationale wetgeving eenzijdig een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting verleent ter zake van de verkrijging van het aandelenpakket. Het daardoor voor belanghebbende optredende nadeel, in vergelijking met een zuiver nationale situatie, ontstaat aldus enkel door de parallelle uitoefening door Nederland en België van hun fiscale bevoegdheid.

3.3.3. Het gemeenschapsrecht voorziet voor een situatie als de onderhavige niet in algemene criteria voor de verdeling van de bevoegdheden tussen de lidstaten ter zake van de afschaffing van dubbele belasting binnen de Europese Unie. Met betrekking tot de heffing van successierecht is tot dusver in het kader van het gemeenschapsrecht geen enkele unificatie- of harmonisatiemaatregel ter voorkoming van dubbele belasting getroffen.

Daaruit vloeit voort dat Nederland, nu geen sprake is van een verboden directe of indirecte discriminatie, niet verplicht is om zijn belastingstelsel aan te passen aan het belastingstelsel van België teneinde dubbele belasting als gevolg van de parallelle uitoefening door Nederland en België van hun fiscale bevoegdheid te voorkomen, en dus de door belanghebbende gewenste aftrek mogelijk te maken van in België betaald successierecht (zie onder meer HvJ 12 februari 2009, Block, C-67/08, Jurispr. 2009, blz. I-00883, V-N 2009/21.22, punten 28 tot en met 31).

3.3.4. De Rechtbank heeft dan ook met juistheid beslist dat in het onderhavige geval van schending van het gemeenschapsrecht geen sprake is. Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2011.