Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BN8042

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-02-2011
Datum publicatie
25-02-2011
Zaaknummer
09/02514
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BN8042
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ1410, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 16, leden 1 en 5, Wet BPM; art. 1, aanhef en letter j, en art. 2, lid 3, Wet personenvervoer 2000. Vakantierit met betalende familieleden. Het gebruik van een taxi-auto voor vervoer van personen tegen betaling sluit niet uit dat de taxi-auto in de particuliere sfeer wordt gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 967 met annotatie van Elbert
FutD 2011-0455
V-N 2011/15.17
BNB 2011/122

Uitspraak

nr. 09/02514

25 februari 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 mei 2009, nr. 08/00090, betreffende een aan X V.O.F. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te Breda (nr. AWB 07/2735) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 6 september 2010 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

De Minister heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende, wier vennoten zijn B en C, exploiteerde een taxionderneming. Bij de uitoefening van het bedrijf heeft zij in de jaren 2001 tot en met 2004 onder meer gebruik gemaakt van twee personenauto's waarvan het kenteken op haar naam was gesteld. In verband met het gebruik als taxi binnen haar onderneming heeft belanghebbende voor de beide auto's verzocht om teruggaaf van BPM. De Inspecteur heeft teruggaaf van BPM verleend.

3.1.2. Bij een boekenonderzoek in 2004 door de Belastingdienst bij belanghebbende is komen vast te staan dat elk van de hiervoor in 3.1.1 bedoelde auto's een keer door de beide vennoten is gebruikt voor gezamenlijk vervoer met twee familieleden van Nederland naar Spanje, alwaar zij alle vier voor vakantie hebben verbleven. Daarna zijn zij met gebruikmaking van dezelfde auto teruggekomen naar Nederland. De auto werd tijdens de ritten bestuurd door één van de vennoten. Belanghebbende heeft van de twee familieleden voor het vervoer met de auto een vergoeding gevraagd. De familieleden hebben deze vergoeding in termijnen aan belanghebbende betaald. Daarnaast heeft belanghebbende in haar boekhouding in verband met deze ritten ten laste van de vennoten bedragen als omzet verwerkt.

De Inspecteur heeft de hiervoor bedoelde ritten niet aangemerkt als taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000 (hierna: de Wet PV 2000), zodat voor beide auto's niet werd voldaan aan de voorwaarde dat zij in een periode van één jaar geheel of nagenoeg geheel waren gebruikt voor het verrichten van taxivervoer in de zin van artikel 16 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (tekst geldend van 1 januari 2001 tot en met 1 oktober 2006). De Inspecteur heeft vervolgens voor de beide auto's de teruggegeven BPM bij de onderwerpelijke aanslag nageheven.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de ritten naar Spanje ritten vormen die als taxivervoer in de zin van artikel 1, aanhef en letter j, van de Wet PV 2000 moeten worden aangemerkt, aangezien bij deze ritten personen tegen betaling zijn vervoerd en die ritten waren onderworpen aan de eis van een vergunning ingevolge de Wet PV 2000. De stelling van de Inspecteur dat de ritten niet werden verricht in het kader van de uitoefening van het taxibedrijf van belanghebbende maar dat de auto's door de vennoten zijn gebruikt als privépersoon heeft het Hof verworpen op de grond dat belanghebbende ter zake van deze ritten een zakelijke vergoeding in rekening heeft gebracht, die de kosten van de auto en eventuele bijkomende kosten voor dat vervoer te boven gaan waarmee werd voldaan aan het bepaalde in artikel 2, lid 3, van de Wet PV 2000.

3.3.1. Het middel bestrijdt de hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen met het betoog dat het Hof bij de behandeling van de stelling dat de onderhavige ritten niet hebben plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van het bedrijf van belanghebbende ten onrechte uitsluitend acht heeft geslagen op de omstandigheden dat tijdens het gebruik van de auto's personen zijn vervoerd en dat voor dat vervoer een zakelijke vergoeding is betaald.

3.3.2. Het middel slaagt. Voor het Hof heeft de Inspecteur aangevoerd dat sprake is van een samenhangend geheel van feiten en omstandigheden die het vermoeden wettigen dat belanghebbende de auto aan de beide vennoten ter beschikking heeft gesteld voor gebruik voor persoonlijke doeleinden in plaats van voor het in het kader van haar onderneming verrichten van taxivervoer. Voor de beoordeling van die stelling is niet alleen bepalend dat tijdens het gebruik van de auto's personen zijn vervoerd en dat voor dat vervoer een zakelijke vergoeding is gevraagd - een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, aanhef en letter j, en artikel 2, lid 3, van de Wet PV 2000 -, aangezien blijkens de parlementaire geschiedenis van die wet niet bedoeld is het vervoer van personen tegen betaling in de particuliere sfeer aan een vergunningplicht te onderwerpen (vgl. het in onderdeel 5.4.2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal opgenomen citaat waarin als voorbeelden zijn genoemd 'carpooling die niet als bedrijf wordt uitgeoefend' en 'een particuliere vakantiereis'). Andere omstandigheden dan dat een zakelijke vergoeding is ontvangen kunnen derhalve de conclusie rechtvaardigen dat de betreffende passagiers niet in het kader van de uitoefening van die taxionderneming zijn vervoerd maar dat de auto in de particuliere sfeer is gebruikt. Het Hof is derhalve van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Of vervoer van personen tegen betaling in de particuliere sfeer heeft plaatsgevonden moet worden beoordeeld aan de hand van alle daarvoor in aanmerking komende omstandigheden.

3.4. Gelet op het hetgeen hiervoor in 3.3.2 is overwogen kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2011.