Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BN4239

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
28-06-2011
Zaaknummer
08/04852
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BN4239
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Omvang hoger beroep. 2. Beroep op noodweer. Ad 1. Nu uit de inhoud van de appelakte bezwaarlijk anders kan volgen dan dat het beroep onbeperkt is ingesteld, heeft het Hof terecht geoordeeld dat de omvang van het hoger beroep niet was beperkt, wat er zij van hetgeen het Hof ter motivering van dat oordeel heeft overwogen. Ad 2. De verwerping van het beroep op noodweer laat in het ongewisse of het Hof de feiten en omstandigheden die de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep aan het gevoerde verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk heeft geacht, dan wel die feiten en omstandigheden naar het oordeel van het Hof een beroep op noodweer niet rechtvaardigen. Dit brengt mee dat het Hof de verwerping van het verweer niet naar de eis van de wet met redenen heeft omkleed.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 41
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 407
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/875
NJB 2011/1427
NBSTRAF 2011/232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 juni 2011

Strafkamer

nr. 08/04852

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 oktober 2008, nummer 22/007300-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft het onder 1 bewezenverklaarde feit en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt over de door het Hof ter terechtzitting van 15 oktober 2008 en in het bestreden arrest gegeven beslissingen omtrent de omvang van het hoger beroep.

3.2. De stukken van het geding houden het volgende in:

(i) De Rechtbank heeft bij vonnis van 12 december 2006 de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het hem onder 1 tenlastegelegde feit en de verdachte veroordeeld ter zake van het hem onder 2 tenlastegelegde feit.

(ii) De verdachte heeft op 21 december 2006 hoger beroep ingesteld. De daarvan opgemaakte akte houdt in dat beroep wordt ingesteld tegen "het eindvonnis d.d. 12 december 2006".

(iii) De raadsman van de verdachte heeft op 3 januari 2007 een appelschriftuur ingediend. Deze appelschriftuur houdt onder meer het volgende in:

"[Verdachte] is op 12 december 2006 veroordeeld door de politierechter te Rotterdam tot een geldboete van € 150,- ter zake van bedreiging. Bij ditzelfde vonnis is [verdachte] ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van de tenlastegelegde mishandeling. Op 21 december heeft [verdachte] hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep richt zich niet tegen het ontslag van rechtsvervolging."

3.3.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 juli 2007 houdt het volgende in:

"Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsman van de verdachte mede dat het hoger beroep thans is beperkt tot het onder 2 tenlastegelegde.

De voorzitter merkt op dat deze beperking van het hoger beroep tot de veroordeling ter zake van feit 2 niet is aangegeven in de akte rechtsmiddel d.d. 21 december 2006.

De raadsman van de verdachte deelt mede dat bij appelschriftuur d.d. 3 januari 2007 de beperking van het hoger beroep reeds is aangegeven.

De advocaat-generaal stelt dat, nu de verdachte niet van het onder 1 tenlastegelegde is vrijgesproken, het hoger beroep thans niet kan worden beperkt, zodat in zijn opvatting hetgeen aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, bij de behandeling van de zaak in hoger beroep ook weer aan de orde is, maar dat de bepaling van de omvang van het hoger beroep aan het hof is."

3.3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 oktober 2008 houdt het volgende in:

"Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsman in het kader van de omvang van het hoger beroep mede - zakelijk weergegeven - dat het hoger beroep is gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing ter zake van feit 2 en dat de verdediging aldus het hoger beroep ter zake van feit 1 wenst in te trekken.

De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld zich over het vorenstaande uit te laten en merkt hiertoe het navolgende op - zakelijk weergegeven -: Op de zitting van 18 juli 2007 is deze kwestie reeds besproken; de akte rechtsmiddel is leidend. De omstandigheid dat de verdachte in eerste aanleg ter zake van feit 1 is ontslagen van alle rechtsvervolging, geeft slechts het oordeel van de politierechter omtrent de strafbaarheid van de verdachte weer, maar het zegt niets over de feiten. Mijns inziens is dan ook zowel feit 1 als feit 2 in hoger beroep aan de orde.

De oudste raadsheer wijst op de mogelijkheid tot beperking van het appel ter zake van cumulatief tenlastegelegde feiten, zulks bij akte rechtsmiddel, zoals neergelegd in artikel 407 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, of ter terechtzitting in hoger beroep voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling.

De advocaat-generaal refereert zich aan het oordeel van het hof.

Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad deelt de voorzitter mede dat het hof de navolgende beslissing heeft genomen: Het onder 1 tenlastegelegde is aan de orde in hoger beroep, nu de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] reeds bij de rechter-commissaris zijn gehoord, onder meer ter zake van feit 1, zodat reeds een aanvang is gemaakt met de inhoudelijke behandeling ter zake. De omvang van het hoger beroep is dan ook niet beperkt.

(...)

De raadsman voert het woord tot verdediging en voert hiertoe het navolgende aan - zakelijk weergegeven -:

Allereerst verzoek ik u de beslissing omtrent de omvang van het appel te heroverwegen. De verdediging heeft reeds bij appelschriftuur d.d. 3 januari 2007 en op de (eerste) terechtzitting van het hof van 18 juli 2007 meegedeeld waartegen het appel zich richt. Daarnaast merk ik op dat de getuigen zijn opgeroepen ter zake van het veroordelend vonnis en dat het openbaar ministerie geen appel heeft ingesteld.

Tot slot merk ik op dat het de verdachte is geweest die het appel heeft ingesteld; hij is geen jurist. Ik verzoek u dan ook de verdachte alsnog niet-ontvankelijk te verklaren inzake feit 1."

3.3.3. Het bestreden arrest houdt het volgende in:

"Ontvankelijkheid van de verdachte inzake feit 1

De raadsman heeft, nadat een eerder daartoe strekkend verweer dat bij de aanvang van de behandeling in hoger beroep d.d. 15 oktober 2008 was gedaan, door het hof was verworpen, zijn betoog strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte inzake feit 1 bij pleidooi herhaald.

Het hof verwerpt het verweer om redenen als aan de verdediging op de terechtzitting d.d. 15 oktober 2008 medegedeeld, zoals vermeld in het proces-verbaal van die terechtzitting."

3.4. Nu uit de inhoud van de appelakte bezwaarlijk anders kan volgen dan dat het beroep onbeperkt is ingesteld, heeft het Hof terecht geoordeeld dat de omvang van het hoger beroep niet was beperkt, wat er zij van hetgeen het Hof ter motivering van dat oordeel heeft overwogen. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het derde middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof het ten aanzien van feit 1 gedane beroep op noodweer onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

4.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 27 mei 2006 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) tegen het hoofd/gezicht heeft geslagen/gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."

4.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en verworpen:

"Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman subsidiair bepleit, zakelijk weergegeven, dat de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, daar hij heeft gehandeld uit noodweer, nu het slachtoffer [slachtoffer] als eerste de verdachte een klap heeft gegeven.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Behoudens verdachtes eigen verklaring(en) biedt zowel het strafdossier als het verhandelde ter terechtzitting geen aanknopingspunten om te concluderen dat het slachtoffer een zodanige aanval tegen de verdachte heeft ingezet dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht, waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs had te verdedigen.

Voor zover de raadsman een beroep op noodweerexces heeft willen doen, verwerpt het hof ook dit beroep nu van een noodweersituatie als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht geen sprake is geweest.

Het hof verwerpt het verweer."

4.4. Deze verwerping van het beroep op noodweer laat in het ongewisse of het Hof de feiten en omstandigheden die de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep aan het ter zake van feit 1 gevoerde verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk heeft geacht, dan wel die feiten en omstandigheden naar het oordeel van het Hof een beroep op noodweer niet rechtvaardigen. Dit brengt mee dat het Hof de verwerping van het verweer niet naar de eis van de wet met redenen heeft omkleed.

4.5. Het middel is terecht voorgesteld.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, W.M.E. Thomassen, H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 28 juni 2011.