Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BN3539

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-02-2011
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
09/05136
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BN3539
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 19 Verdrag van Ottawa, Artikel 6.24, lid 2, Wet IB 2001 (tekst 2005). Vrijgesteld inkomen NAVO-ambtenaar mag in aanmerking worden genomen bij bepalen drempel voor aftrek buitengewone uitgaven van diens echtgenoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011, 486
Belastingadvies 2011/5.6
V-N 2011/9.8 met annotatie van Redactie
BNB 2011/152 met annotatie van I.J.J. Burgers
FutD 2011-0262 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 09/05136

4 februari 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 november 2009, nr. 08/00648, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te Breda (nr. AWB 08/2150) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het hoger beroep gegrond verklaard en het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Minister heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 30 juni 2010 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende was in 2005 in dienstbetrekking werkzaam bij het A. Belanghebbende en haar echtgenoot (hierna: de echtgenoot) woonden in dat jaar in Nederland. De echtgenoot was in 2005 werkzaam bij de NATO Airborne Early Warning and Control Programme Management Agency (hierna: NAPMA), een onderdeel van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (hierna: NAVO).

3.1.2. Belanghebbende heeft bij haar aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 het inkomen van de echtgenoot niet in aanmerking genomen bij het berekenen van de drempel voor aftrek van buitengewone uitgaven als bedoeld in artikel 6.24 van de Wet IB 2001 (tekst 2005, hierna: de drempel).

3.1.3. De Inspecteur heeft het inkomen van de echtgenoot daarentegen wel in aanmerking genomen bij het berekenen van de drempel. Hij heeft de aftrek van buitengewone uitgaven als gevolg daarvan gecorrigeerd met een bedrag van € 231.

3.2. Voor het Hof was in geschil of bij de berekening van de drempel het vrijgestelde inkomen dat de echtgenoot als functionaris van de NAVO-organisatie genoot in aanmerking dient te worden genomen.

3.3. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2002, nr. 36165, LJN AE0466, BNB 2003/29. In dat arrest, dat betrekking heeft op de belastingvrijstelling voor functionarissen van de EG, is aansluiting gezocht bij rechtspraak van het Hof van Justitie.

3.4. De klachten komen tegen dit oordeel op, onder meer met het betoog dat het Hof het recht heeft geschonden door rechtspraak die betrekking heeft op de belastingvrijstelling voor functionarissen van de EG toe te passen bij de uitleg van de vrijstelling voor NAVO-functionarissen.

3.5.1. In de regeling met betrekking tot aftrek van buitengewone uitgaven in de Wet IB 2001 (tekst 2005, hierna: de Wet) wordt in artikel 6.24 een inkomensafhankelijke drempel gehanteerd om rekening te houden met de draagkracht van de belastingplichtige (Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 259). Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een partner heeft, wordt daarbij uitgegaan van de verzamelinkomens van beide partners, opdat rekening wordt gehouden met hun gezamenlijke draagkracht.

3.5.2. Artikel 19 van het Verdrag nopens de rechtspositie van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, van de nationale vertegenwoordigers bij haar organen en van haar internationale staf (Trb. 1953, 9, hierna: het Verdrag van Ottawa) bepaalt dat de aldaar bedoelde functionarissen van de NAVO-organisatie (bestaande uit de Raad en de hulporganen van de NAVO, hierna: de Organisatie) zijn vrijgesteld van belasting op het salaris en de emolumenten die door de Organisatie aan hen worden betaald in hun hoedanigheid als zodanige functionarissen. Deze vrijstellingsregeling is van toepassing op de echtgenoot op grond van het bepaalde in artikel 17 van het Verdrag van Ottawa in verbinding met de briefwisseling tussen de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken en de Secretaris-Generaal van de NAVO met betrekking tot (onder meer) functionarissen van de NAPMA (Trb. 1979, 159).

3.5.3. De bewoordingen van de in voormeld artikel 19 neergelegde vrijstelling geven geen grond om aan te nemen dat deze bepaling zo ruim moet worden uitgelegd, dat de daarin bedoelde salarissen en emolumenten ook buiten aanmerking dienen te blijven in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om heffing van belasting over de eigen inkomsten van de partner van de betrokken functionaris, en daarbij met het oog op een persoonsgebonden aftrek de gezamenlijke draagkracht van de partners dient te worden vastgesteld.

3.5.4. Ook de strekking van artikel 19 van het Verdrag van Ottawa geeft geen aanleiding om aan deze bepaling een zo ruime uitleg te geven. Uit artikel 22 van het Verdrag van Ottawa volgt dat voorrechten en immuniteiten, waaronder de hier bedoelde belastingvrijstelling, door het verdrag worden verleend in het belang van de Organisatie. Het belang van een goed en onafhankelijk functioneren van een internationale organisatie vergt niet dat aan een belastingvrijstelling als de onderhavige - in afwijking van de bewoordingen van de desbetreffende regeling - die ruime uitleg wordt gegeven.

3.5.5. Het in 3.5.3 en 3.5.4 overwogene stemt overeen met de uitleg die de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2002, genoemd in onderdeel 3.3, heeft gegeven aan artikel 13 van het Protocol betreffende de Voorrechten en Immuniteiten van de Europese Gemeenschappen (Trb. 1965, 130, hierna: het EG-Protocol). De tekst van artikel 13 van het EG-Protocol komt vrijwel geheel overeen met de tekst van de vrijstellingsregeling in artikel 19 van het Verdrag van Ottawa. De strekking van beide vrijstellingen stemt verder zozeer overeen dat er ook met het oog daarop onvoldoende aanleiding bestaat voor een verschillende uitleg.

3.5.6. De omstandigheid dat in het Verdrag van Ottawa geen progressievoorbehoud is opgenomen, geeft onvoldoende aanleiding tot een andere uitleg.

3.5.7. Het voorgaande brengt mee dat de Hoge Raad is teruggekomen van zijn arrest van 15 december 1999, nr. 35038, LJN AA4206, BNB 2000/58.

3.5.8. De slotsom is dat het onder 3.4 vermelde betoog van belanghebbende niet tot cassatie kan leiden.

3.6. De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2011.