Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BM9272

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
09/05120
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BM9272
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 8:88 Awb in samenhang met art. 29 AWR; verzoek tot herziening van een arrest van de Hoge Raad vanwege een later verschenen arrest van het Hof van Justitie; geen sprake van feit dat of omstandigheid die tot herziening noopt; geen doorbreking van het beginsel van eerbiediging van het gezag van gewijsde.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 1486 met annotatie van Niessen-Cobben
USZ 2011/226
JB 2011/185
V-N Vandaag 2011/1705
V-N 2011/32.7 met annotatie van Redactie
AB 2011/175 met annotatie van R. Ortlep
RN 2011/93
NJB 2011/1431
Belastingblad 2011/1003 met annotatie van Kruimel
FED 2011/75 met annotatie van M.E. Oenema
BNB 2011/245 met annotatie van J.A.R. van Eijsden
FutD 2011-1483 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 09/05120

24 juni 2011

Arrest

gewezen op het verzoek van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 7 maart 2003, nr. 37525, LJN AE9405, BNB 2003/193.

1. Het arrest waarvan herziening is verzocht

Bij voormeld arrest heeft de Hoge Raad gegrond verklaard het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 juli 2001, nr. BK-99.2059, betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting.

2. Geding in cassatie

Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 25 mei 2010 geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek om herziening.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op

23 mei 2011, bij welke gelegenheid belanghebbende en de Staatssecretaris zijn verschenen.

3. Beoordeling van het verzoek

3.1. Als grond voor herziening van een uitspraak van de Hoge Raad als bedoeld in artikel 29e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kunnen ingevolge artikel 29 van die wet in verbinding met artikel 8:88, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht slechts dienen feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór die uitspraak, die tevens bij de indiener van het verzoekschrift tot herziening vóór die uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die voorts, waren zij bij de Hoge Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.1. Het onderhavige verzoekschrift behelst geen feiten of omstandigheden als hiervoor in 3.1 bedoeld. Het in het verzoekschrift als feit of omstandigheid in vorenbedoelde zin aangevoerde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 november 2009, Don Bosco Onroerend Goed B.V., C-461/08, BNB 2011/14, kan niet worden aangemerkt als een feit dat of een omstandigheid die heeft plaatsgevonden vóór het arrest waarvan herziening wordt gevraagd (zie onderdeel 6.3 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).

3.2.2. Voorts brengt het unierecht niet mee dat een nationale rechter, ook niet een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie, een onherroepelijke beslissing dient te heroverwegen vanwege een later gewezen arrest van het Hof van Justitie op de grond dat sprake is van een uitleg van een rechtsnorm die niet bekend was ten tijde van het nemen van die beslissing en, was dat arrest van het Hof van Justitie bij die rechter bekend geweest, tot een andere beslissing zou hebben kunnen leiden. Het Hof van Justitie heeft meermalen overwogen dat, om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen, het van belang is dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of na afloop van de voor deze beroepen voorziene termijnen, niet meer opnieuw in geding kunnen worden gebracht en dat dit belang van het beginsel van de eerbiediging van het gezag van gewijsde niet kan worden betwist (vgl. HvJ 1 juni 1999, Eco Swiss China Time Ltd, C-126/97, punten 46 en 47, 30 september 2003, G. Köbler, C-224/01, BNB 2004/151, punt 38, 13 januari 2004, Kühne & Heitz NV, C-453/00, BNB 2004/150, punt 24, en 16 maart 2006, Rosmarie Kapferer v Schlank & Schick GmbH, C-234/04, punt 24).

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een vergoeding in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2011.