Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2011:BM6159

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
08/05034 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BM6159
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Art. 511d.1 Sv, mogelijkheid tot schriftelijke voorbereiding ter bekorting van de behandeling ter terechtzitting en ter bevordering van een doelmatige besluitvorming. Ook in ontnemingszaken is de rechter niet gehouden te reageren op verweren en onderbouwde standpunten die niet uitdrukkelijk ter terechtzitting zijn voorgedragen (vgl. HR NJ 1980/205). Het bepaalde in art. 511d.1 Sv maakt dat niet anders. De door de wetgever aan die mogelijkheid tot schriftelijke voorbereiding ten grondslag gelegde argumenten brengen wel mee dat ter terechtzitting gevoerde verweren en ingenomen onderbouwde standpunten kunnen worden bekort d.m.v. een duidelijke verwijzing naar de inhoud van de in het kader van die schriftelijke voorbereiding ingediende stukken. Voorop dient evenwel te staan dat ter terechtzitting met voldoende duidelijkheid wordt aangegeven welke verweren worden gevoerd en welke onderbouwde standpunten worden ingenomen. De i.c. door de raadsman overgelegde pleitnotities houden niets in omtrent het bedoelde verweer dan wel het bedoelde onderbouwde standpunt. Ook het proces-verbaal behelst daaromtrent niets. Het moet er daarom voor worden gehouden dat dat verweer niet ter terechtzitting is voorgedragen en dat hetzelfde geldt voor het onderbouwde standpunt. Dat ter terechtzitting blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal aldaar door de Voorzitter de korte inhoud is meegedeeld van de conclusie van antwoord leidt niet tot een ander oordeel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Wetboek van Strafvordering 511d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/316
NJB 2011, 580
NJ 2011/356 met annotatie van J.M. Reijntjes
JOW 2011/43
NBSTRAF 2011/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 februari 2011

Strafkamer

nr. 08/05034 P

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 april 2008, nummer 22/001993-06, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[Betrokkene], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende op [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde betalingsverplichting met zodanige vermindering van de betalingsverplichting dat de inbreuk op veroordeeldes recht op berechting binnen een redelijke termijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Aan de beoordeling van het eerste en het derde middel voorafgaande beschouwingen.

2.1. De middelen roepen de vraag op of de rechter in ontnemingszaken is gehouden te reageren op verweren en onderbouwde standpunten die niet uitdrukkelijk ter terechtzitting zijn voorgedragen. Die vraag moet, zoals hierna zal worden uiteengezet, ontkennend worden beantwoord.

2.2.1. Art. 511d, eerste lid, Sv luidt:

"Op de behandeling van een vordering van de officier van justitie zijn de bepalingen van de eerste afdeling van Titel VI van het tweede Boek van overeenkomstige toepassing. De behandeling van de vordering ter terechtzitting kan worden voorafgegaan door een schriftelijke voorbereiding op de wijze als door de rechtbank te bepalen."

2.2.2. De memorie van toelichting bij het voorstel van wet dat heeft geleid tot de invoering van deze bepaling houdt onder meer het volgende in:

"(...) De vordering vormt de grondslag voor de behandeling ter zitting. (...) Wel is voorzien in de mogelijkheid om de behandeling ter terechtzitting te doen voorafgaan door een schriftelijke voorbereiding. De rechtbank kan aldus, als de opgeroepene voor de eerste maal verschijnt, onder schorsing van de behandeling voor bepaalde of onbepaalde tijd, hem en het openbaar ministerie de gelegenheid bieden schriftelijke conclusies uit te wisselen, waardoor de behandeling ter zitting kan worden bekort en een doelmatige besluitvorming bevorderd. Willen schriftelijke conclusies en verweren voor het bewijs kunnen medewerken, dan dienen zij wel ter terechtzitting, eventueel in verkorte vorm, te zijn voorgedragen. (...)"

(Kamerstukken II, 1989-1990, 21 504, nr. 3, p. 37)

2.3. Ook in ontnemingszaken dient de rechter te beraadslagen en te beslissen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Op de behandeling van de ontnemingsvordering is immers ingevolge art. 511d, eerste lid, Sv de eerste afdeling van titel VI van het Tweede boek van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing. Dat brengt mee dat evenals in strafzaken het geval is (vgl. HR 18 december 1979, NJ 1980, 205) verweren ter terechtzitting dienen te worden voorgedragen. Hetzelfde geldt ten aanzien van onderbouwde standpunten.

Dat in art. 511d Sv is voorzien in de mogelijkheid van een schriftelijke voorbereiding ter bekorting van de behandeling ter terechtzitting en ter bevordering van een doelmatige besluitvorming, maakt dat niet anders. Dat ligt ook besloten in de hiervoor onder 2.2.2 weergegeven parlementaire geschiedenis van art. 511d Sv.

De door de wetgever aan die mogelijkheid tot schriftelijke voorbereiding ten grondslag gelegde argumenten brengen, naar kennelijk ook de wetgever voor ogen heeft gestaan, wel mee dat ter terechtzitting gevoerde verweren en ingenomen onderbouwde standpunten kunnen worden bekort door middel van een duidelijke verwijzing naar de inhoud van de in het kader van die schriftelijke voorbereiding ingediende stukken. Voorop dient evenwel te staan dat ter terechtzitting met voldoende duidelijkheid wordt aangegeven welke verweren worden gevoerd en welke onderbouwde standpunten worden ingenomen.

3. Beoordeling van het eerste en het derde middel

3.1. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het Hof van een gevoerd "verweer". Daarmee wordt blijkens de toelichting op het middel gedoeld op een verweer dat is vervat in de "conclusie van antwoord" die door de verdediging bij het Hof is ingediend in het kader van de schriftelijke voorbereiding als bedoeld in art. 511d Sv, op welk verweer het Hof in het bestreden arrest heeft gereageerd. Het derde middel klaagt dat het Hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, terwijl het daartoe niet overeenkomstig art. 359, tweede lid, Sv in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid. In de toelichting op dat middel wordt ten aanzien van dat onderbouwde standpunt eveneens verwezen naar genoemde conclusie van antwoord.

3.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsman aldaar het woord gevoerd "overeenkomstig zijn overgelegde (...) pleitnotities". Die pleitnotities vangen aan met de zinsnede: "In aanvulling op de schriftelijke conclusie van de verdediging wordt nog het volgende opgemerkt". Zij houden evenwel niets in omtrent het in het eerste middel bedoelde verweer en het in het derde middel bedoelde onderbouwde standpunt. Ook genoemd proces-verbaal behelst daaromtrent niets.

Het moet er daarom voor worden gehouden dat dat verweer niet ter terechtzitting is voorgedragen en dat hetzelfde geldt voor het onderbouwde standpunt. Dat ter terechtzitting blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal aldaar door de Voorzitter de korte inhoud is meegedeeld van de in de middelen bedoelde "conclusie van antwoord", leidt niet tot een ander oordeel. Het voorgaande brengt mee dat de middelen feitelijke grondslag missen zodat ze niet tot cassatie kunnen leiden.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 315.000,-.

6. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 310.000,- bedraagt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en H.A.G. Splinter-van Kan, C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 22 februari 2011.