Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BO4719

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
09/05224 U
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vervolgingsuitlevering aan de Verenigde Staten. Geen ne bis in idem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1433
NJB 2010, 2309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 november 2010

Strafkamer

nr. 09/05224 U

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

inzake een verzoek van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:

[De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1941, wonende te [woonplaats].

1. De procesgang

1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 28 september 2010. In dat arrest is de uitspraak van de Rechtbank te Amsterdam van 18 december 2009 waarbij de verzochte uitlevering toelaatbaar was verklaard, vernietigd. Voorts is in dat arrest bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.

1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 26 oktober 2010 is de opgeëiste persoon gehoord, bijgestaan door zijn raadslieden, mr. C.L.A. de Sitter en mr. C.W. Noorduyn, beiden advocaat te 's-Gravenhage.

1.3. De Advocaat-Generaal Hofstee heeft aldaar een schriftelijke samenvatting van zijn opvatting omtrent het verzoek tot uitlevering overgelegd. Deze houdt in dat de uitlevering toelaatbaar is voor het in het uitleveringsverzoek omschreven feit 3.

2. Het verzoek tot uitlevering

2.1. Het verzoek tot uitlevering is gedaan bij de nota

nr. 160/90 van 14 oktober 2009 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika te 's-Gravenhage.

Door de verzoekende Staat zijn onder meer overgelegd:

a. een Affidavit in support of request for extradition van 11 september 2009 van J. Himelstein, Assistant United States Attorney for the District of Columbia;

b. een Affidavit in support of request for extradition van 11 september 2009 van Chr. O'Brien, Special Agent of the Diplomatic Security Service;

c. een Indictment van 20 februari 2007 van de Grand Jury van de United States District Court of Columbia;

d. een Warrant for arrest van 20 februari 2007 van A. Kay, United States Magistrate Judge of the District Court of Columbia;

e. de tekst van de relevante Amerikaanse wetsbepalingen.

2.2. Voorts bevindt zich bij de stukken een Declaration van 29 juni 2010 van J. Himelstein, voornoemd, inhoudende onder meer:

"3. Prosecution of the offenses charged in counts One and Two is time barred and the United States cannot prosecute the defendant for those offenses at this time. The government has taken steps to arrange the dismissal of those charges.

4. The offense of False Statement in Application for a United States Passport is not time barred and the government continues to seek the defendant's extradition in order to prosecute him for that offense."

3. Beoordeling van het verzoek tot uitlevering

3.1. Op het verzoek is van toepassing het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Verdrag).

3.2. De persoon die is gehoord ter zitting van de Hoge Raad, heeft verklaard dat hij is [de opgeëiste persoon], voornoemd - de persoon op wie het uitleveringsverzoek betrekking heeft - en dat hij niet de Nederlandse nationaliteit bezit.

3.3. Mede gelet op het onder 2.2 vermelde schrijven, strekt het verzoek uitsluitend nog tot uitlevering van de opgeëiste persoon teneinde hem te kunnen vervolgen ter zake van het in de hiervoor onder 2.1 sub c vermelde Indictment als volgt omschreven feit:

"Count Three

On or about January 18, 2000, in London, England, the defendant, [de opgeëiste persoon], did willfully and knowingly use or attempt to use United States passport No. [001], issued under the authority of the United States to an individual named [betrokkene 1], the issuance of which was secured by reason of a false statement made in the application therefor which provided false identification information for the defendant, and which said passport the defendant used or attempted to use unlawfully.

(False Statement in Application for Passport, in violation of Title 18, United States Code, Section 1542)."

3.4. Dit feit, dat krachtens art. 2, eerste lid onder b, van het Verdrag tot uitlevering kan leiden, is krachtens het recht van de verzoekende Staat strafbaar gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar. Naar Nederlands recht kan het op grond van art. 231 Sr worden bestraft met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar. Aan de vereisten van art. 2 van het Verdrag inzake de dubbele strafbaarheid is dus voldaan.

3.5. De door de verzoekende Staat overgelegde stukken voldoen aan de vereisten die in art. 9 van het Verdrag worden gesteld ten aanzien van de bij het uitleveringsverzoek te voegen bescheiden.

3.6.1. De raadslieden hebben aangevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard op de grond dat de opgeëiste persoon ter zake van het feit waarvoor zijn uitlevering is verzocht, in Nederland reeds vervolgd is geweest in de zin van art. 5 van het Verdrag. Daartoe hebben zij, door bescheiden gestaafd, betoogd dat de opgeëiste persoon op 23 mei 2007 in Amsterdam is aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van "identiteitsfraude" - blijkens de overgelegde stukken daarin bestaande dat sprake was van een "dubbele identiteit" in die zin dat de opgeëiste persoon "mogelijk gebruik zou maken van een identiteit van een persoon genaamd [betrokkene 1] welke zou zijn overleden in 1966" - en dat uit onderzoek is gebleken dat de opgeëiste persoon "op legale wijze in het bezit was van twee paspoorten: een onder de naam [de opgeëiste persoon] en een onder de naam [betrokkene 1]".

3.6.2. Art. 5 van het Verdrag houdt, voor zover hier van belang in, dat uitlevering niet wordt toegestaan wanneer de opgeëiste persoon door de aangezochte Staat ter zake van het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht, vervolgd is geweest.

3.6.3. Het namens de opgeëiste persoon gedane beroep op deze bepaling stuit af op de omstandigheid dat het feit waarvoor de uitlevering is gevraagd, blijkens hetgeen hiervoor is weergegeven een ander feit is dan het feit waarvoor de opgeëiste persoon is aangehouden en in verzekering gesteld.

3.6.4. Gelet hierop bestaat er ook geen noodzaak tot het verrichten van een nader onderzoek naar het destijds ingestelde onderzoek naar de dubbele identiteit van de opgeëiste persoon. Het daartoe strekkende verzoek wordt daarom afgewezen.

3.7.1. Voorts is door en namens de opgeëiste persoon ter zitting verklaard dat hij niet schuldig is aan het feit waarvoor zijn uitlevering is verzocht.

3.7.2. De Hoge Raad gaat hieraan voorbij nu de opgeëiste persoon niet heeft beweerd onverwijld te kunnen aantonen niet schuldig te zijn aan het feit waarvoor zijn uitlevering is gevraagd. Ook anderszins is niet gebleken dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan het feit waarvoor zijn uitlevering is verzocht. De Hoge Raad tekent daarbij aan dat de feiten en omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan het beroep op "overmacht-noodtoestand, afwezigheid van de materiële wederrechtelijkheid dan wel afwezigheid van alle schuld" geen steun vinden in de door de verzoekende Staat overgelegde stukken en dat zij ook niet anderszins, zonder diepgaand onderzoek, als vaststaand kunnen worden aangenomen.

3.8.1. Tot slot is door de raadslieden aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon moet vrezen dat hij in geval van uitlevering door medegedetineerden zal worden vermoord en dat daarom sprake is van een "dreigende flagrante schending van [zijn] humanitaire rechten".

3.8.2. Het aangevoerde is uit het onderzoek ter zitting niet aannemelijk geworden, in het bijzonder niet uit hetgeen aldaar is aangevoerd noch uit de aldaar overgelegde stukken. Het verweer moet daarom worden verworpen.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die in de weg zouden staan aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering, dient als volgt te worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart toelaatbaar de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Verenigde Staten van Amerika ter strafvervolging ter zake van het hiervoor onder 3.3 omschreven feit.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 23 november 2010.