Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BO4137

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
10/02083 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening tul. Aanvrage n-o.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1399
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 november 2010

Strafkamer

Nr. 10/02083 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een beslissing van de Politierechter in de Rechtbank te Almelo van 8 augustus 2005, nummer 08/006334-02, ingediend door:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats].

1. De beslissing waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Almelo van 19 april 2004 ter zake van "mishandeling" opgelegde gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met een in dat vonnis nader omschreven bijzondere voorwaarde.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. De beslissing van de Politierechter van 8 augustus 2005 betreft een beslissing op de vordering van het Openbaar Ministerie als bedoeld in art. 14g Sr en is daarom niet een einduitspraak houdende veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. De aanvrage kan derhalve voor zover tegen deze beslissing gericht, niet worden ontvangen.

3.2. Voor zover de aanvrage geacht moet worden mede gericht te zijn tegen voormeld vonnis van de Politierechter van 19 april 2004 geldt het volgende.

3.3. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder

2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.4. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.3 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en 460 Sv, ook in zoverre niet worden ontvangen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 16 november 2010.