Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BO2909

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2010
Datum publicatie
14-12-2010
Zaaknummer
09/02518 J
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BO2909
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Meineed. Bewijsklacht slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/31
NJB 2011, 135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 december 2010

Strafkamer

Nr. 09/02518 J

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 17 juni 2009, nummer 21/002029-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het onder 1 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

2.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 26 juli 2007 te Utrecht bij de rechter-commissaris, als getuige in de zaak tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2], nadat hij in handen van de rechter-commissaris op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft verklaard: "Ze zeiden dat ik meteen naar achteren kon lopen als ik geen namen zou noemen. Ik kon dan meteen de cel in. Ik heb die namen genoemd omdat ik anders de cel in moest."

2.3.1. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel een van hen:

"De getuige [verdachte] verscheen op verzoek van mij, verbalisant [verbalisant 1]. Ik, [verbalisant 1], nam de verklaring van getuige [verdachte] op in aanwezigheid van [verbalisant 2], buitengewoon opsporingsambtenaar. Ik, [verbalisant 1], hoorde de getuige [verdachte] het navolgende verklaren, op de vragen die ik hem stelde:

V: Was jij bij de eerste overval op 7 maart jl. aanwezig?

A: Ik kwam toen pas vijf minuten na de overval binnen.

V: Zijn er na afloop van de overval op 14 maart jl. nog vervelende zaken gebeurd?

A: Ja. Na afloop van de overval hebben wij als team van de Jumbo besproken dat we verder niet over de overval zouden praten. Op school werd ik echter door een aantal kinderen aangesproken. Die kinderen wonen bij mij in de buurt. Deze kinderen heten [betrokkene 3] en [betrokkene 4] (fon.). Hoe de kinderen van deze overval wisten weet ik niet. Ik heb zelf niets over de overval verteld. Bovendien vroegen ze mij dit direct de volgende ochtend na de overval.

V: We hebben het idee dat jij weet wie de overvallers zijn. Wat kun je daar over vertellen?

A: Ik weet inderdaad wie de daders zijn. Ze wonen vlak bij mij. Ik woon in dezelfde flat als mijn collega [betrokkene 5]. Een van de jongens die volgens mij de overval heeft gepleegd woont tussen mij en [betrokkene 5] in. Ook zit die jongen bij mij op school.

V: Hoe herkende je de overvallers?

A: Ik herkende de jongen met het mes en de jongen met het vuurwapen. Ik herkende de jongen met het mes al ten tijde van de overval. De jongen met het pistool herkende ik na het zien van de camerabeelden. Ik heb de jongen met het mes herkend aan zijn kleding, want dat was dezelfde kleding als hij die dag op school aan had gehad. Ook herkende ik zijn stem en postuur. Ik heb namelijk twee jaar met deze jongen in dezelfde klas gezeten. Bovendien woont deze jongen in dezelfde flat als waarin ik woon. Deze jongen heet [betrokkene 1].

V: Waaraan herkende je de jongen met het wapen?

A: Deze jongen herkende ik aan zijn postuur, maar ook aan zijn loopje. Ik herkende hem door de camerabeelden. Zijn loopje is zodanig dat het net lijkt of hij zweeft, Deze jongen was de jongen die na de eerste overval op 7 maart jl. op een balkon stond die uitkijk heeft op de Jumbo. Deze jongen heet [betrokkene 2]. Hierover heb ik ook in een eerder door mij afgelegde verklaring verklaard.

V: Waarom heb je niet eerder de namen van de overvallers genoemd?

A: Ik weet nu dat er twee jongens zijn opgepakt door de politie. Dat heb ik gehoord van de bedrijfsleider van de Jumbo. Daarom durf ik nu hun namen te noemen.

V: Heb je zelf verder nog aanvullingen?

A: Nee, ik heb alles verteld wat ik weet.

V: Wat gebeurt er als de jongens te weten komen dat jij hun namen hebt genoemd?

A: [Betrokkene 1] is geen vriend van mij. Hij maakt graag ruzie. Ik zou niet graag ruzie met hem hebben. Hij heeft al eens eerder een mes gepakt om mij te bedreigen. Dat was op school. Toen is dat goed afgelopen. Ik wil niet dat mijn naam bekend wordt. Ik zou graag willen dat mijn naam wordt afgeschermd. Indien dat niet kan, dan zou ik graag deze verklaring willen intrekken. Ik voel me namelijk erg onveilig.

Ik wens mijn verklaring niet te ondertekenen, omdat ik bang ben dat deze dan geldig is en gebruikt zal worden. Ik wil niet dat de overvallers, waar ik een naam van heb genoemd weten dat ik over hen heb verklaard."

2. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel een van hen:

"Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb op 2 mei 2007 telefonisch contact opgenomen met de getuige [verdachte] en hem verzocht om aan het bureau van politie, gelegen aan de Kaap Hoorndreef 3 te Utrecht te verschijnen. Ik, [verbalisant 1], deelde [verdachte] mede dat ik een aantal vragen wilde stellen aan hem over de overval op de Jumbo, gepleegd op woensdag 14 maart 2007. [Verdachte] was ten tijde van dit telefonisch verzoek aan het werken bij de Jumbo supermarkt, gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats]. [Verdachte] deelde mij mede dat hij de bedrijfsleider zou vragen of hij zijn werk mocht onderbreken. [Verdachte] deelde mij, [verbalisant 1], mede dat hij zijn werk mocht onderbreken en omstreeks 12:30 uur aan genoemd bureau zou verschijnen.

Na aankomst van [verdachte] aan genoemd bureau, hebben wij verbalisanten, met [verdachte] in een aangifte ruimte een verklaring van [verdachte] opgenomen. [Verdachte] verklaarde ten tijde van het opnemen van deze getuigenverklaring onder andere te weten wie deze overvallers waren en noemde hen bij naam. [Verdachte] verklaarde tevens over incidenten die na deze overval hadden plaats gevonden.

Ik, [verbalisant 1], vroeg hierop aan [verdachte] waarom hij de namen van deze overvallers noemde terwijl hij hierover reeds was benaderd en toen de namen niet wilde noemen, Wij hoorden [verdachte] hierop zeggen dat hij de namen noemde omdat deze overvallers waren aangehouden. Wij hoorden [verdachte] zeggen dat hij echter anoniem wenste te blijven omdat hij zich sinds de overval zich niet meer veilig voelde. Inmiddels was zijn verklaring al opgenomen. Hierop hebben wij [verdachte] uitgelegd dat zijn verklaring opgenomen zou worden in het dossier en dat het niet mogelijk was om zijn naam af te schermen, dan wel weg te laten. Hierop hoorden wij [verdachte] vragen waarom wij hem dit niet aan het begin hebben verteld, voordat wij zijn verklaring hadden opgenomen. Ik, [verbalisant 1], heb [verdachte] hierop uitgelegd dat ik in de veronderstelling was dat hij dit wist en dat ik hem mede om die reden vroeg waarom hij in eerste instantie geen namen wilde noemen en nu wel. Wij hoorden [verdachte] hierop zeggen dat hij dacht dat dit anoniem zou gebeuren. Wij hebben [verdachte] hierop nogmaals uitgelegd dat dit niet het geval was.

Hierop hoorden wij [verdachte] zeggen dat hij dan zijn verklaring wenste in te trekken. [verdachte] verklaarde hierop dat het zijn veiligheid in gevaar zou brengen. [Verdachte] vroeg hierop aan ons: "lk kan mijn verklaring toch altijd intrekken want het is toch op vrijwilligheid afgegeven"? Althans woorden van gelijke strekking.

Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 2], getracht [verdachte] uit te leggen dat dit niet altijd vrijwillig is en dat een getuige eventueel ook gegijzeld kan worden. Dit met als doel [verdachte] uitleg te geven over wat er wel en niet mogelijk is. Hierop gaf [verdachte] aan zijn verklaring niet te willen ondertekenen."

3. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"U zegt mij dat ik namen heb genoemd in mijn tweede verklaring. Ja, dat klopt. Ik werd gebeld door de politie. Ik wilde wel naar het bureau komen, maar ze zeiden niet waarom. De politie op het bureau zei tegen mij dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] waren opgehaald. Ze zeiden op het bureau dat ik er meer van zou weten. Ik wist er helemaal niet meer van. Ik wist wel welke [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de politie bedoelde, want het was algemeen bekend bij ons in de buurt wie er waren aangehouden. Ik heb hun namen genoemd bij de politie, maar verder weet ik niet precies wat ik heb verklaard. Ze zeiden dat ik meteen naar achteren kon lopen als ik geen namen zou noemen. Ik kon dan meteen de cel in. Ik heb die namen genoemd omdat ik anders de cel in moest. Er waren twee agenten bij dat verhoor aanwezig. U zegt dat zij verklaren dat ze mij niet onder druk hebben gezet. In mijn beleving hebben ze me wel onder druk gezet. Ik ben niet het type dat elke dag op het politiebureau zit. Ik weet zeker dat ze hebben gezegd dat ik de cel in kon als ik het niet zou verklaren Ze zeiden dat ik anders medeplichtig zou zijn. Ze zeiden inderdaad dat ik anders zou worden gegijzeld. Ze zeiden, wij weten dat jij het weet en als je het niet zegt ben je medeplichtig. Ze gebruikten het woord gegijzeld. Ik heb verklaard omdat ik anders gegijzeld zou worden."

4. de verklaring van de getuige [verbalisant 2] ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Verdachte was in de veronderstelling dat hij anoniem kon blijven en noemde daarom de namen van de overvallers. [Verbalisant 1] en ik hebben niet aangegeven en ook niet de verwachting gewekt dat verdachte anoniem kon blijven. Wel hebben wij aangegeven dat wij daar niet over gingen. Verdachte wilde toen zijn verklaring intrekken. Ik heb toen tegen verdachte gezegd dat hij verplicht is om te getuigen. Verdachte heeft de namen van de overvallers genoemd omdat deze reeds in voorlopige hechtenis zaten. Hij was bang dat hij door deze personen zou worden bedreigd. Verdachte heeft volledig uit zichzelf de twee namen van de overvallers genoemd. Daarbij is van onze kant geen enkele druk op hem uitgeoefend.

Op de vraag van de oudste raadsheer of vooraf aan het verhoor de woorden "als je niet verklaart dan kun je de cel in" zijn gebezigd, kan ik antwoorden dat deze woorden zeer zeker niet zijn gebezigd."

2.3.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Door de raadsman is betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde meineed. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet het opzet heeft gehad om op 26 juli 2007 ten overstaan van de rechter-commissaris in de rechtbank Utrecht een meinedige verklaring af te leggen. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van een meinedige verklaring nu deze niet voor het bewijs in de onderhavige strafzaak is gebruikt.

Het hof leidt uit de verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] af dat deze naar eer en geweten en zonder druk op verdachte uit te oefenen op 2 mei het verhoor van verdachte hebben afgenomen. Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan die verklaringen.

Verdachte heeft tijdens het verhoor bij de politie spontaan de namen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] genoemd. Daarna is hij gaan nadenken over de eventuele gevolgen die het noemen van die namen voor hem zou kunnen hebben en heeft hij zijn verklaringen willen intrekken. Verbalisant [verbalisant 2] heeft hem toen voorgehouden dat hij als getuige verplicht kan worden te verklaren en zelfs gijzeling kan volgen. Verdachte heeft daarop tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris onder ede verklaard dat de verbalisanten hem onder druk zouden hebben gezet om die namen te noemen.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de verklaring van [verbalisant 2], die het hof als betrouwbaar beoordeelt, verdachte onder ede opzettelijk onjuist heeft verklaard dat iets gebeurd zou zijn, terwijl hij wist dat het niet gebeurd is. Verdachte heeft derhalve opzettelijk onder ede gelogen en derhalve een meinedige verklaring afgelegd.

Het hof acht niet bewezen dat verdachte in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij [betrokkene 2] en [betrokkene 1] niet heeft herkend en zal hem daarvan vrijspreken.

Het hof is van oordeel dat voor een bewezenverklaring van meineed niet is vereist dat de verklaring van verdachte in de betreffende strafzaak tot bewijs is gebezigd."

2.4. De bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte "als getuige in de zaak tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2], nadat hij in handen van de rechter-commissaris op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen", kan niet uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Het middel klaagt daarover terecht.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 14 december 2010.