Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BO2558

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
09/00354
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BO2558
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke OBM. Het hof heeft de t.u.l. gelast van een voorwaardelijke OBM terwijl geen mededeling van de voorwaardelijke veroordeling in de zin van art. 366a.2 Sv aan verdachte heeft plaatsgevonden. Gelet op de wetsgeschiedenis staat dit laatste echter niet in de weg aan het ingaan van de proeftijd omdat het uitgangspunt is “dat het aan de verdachte wordt overgelaten om naar de uitkomst van de berechting te informeren” en nu het hof heeft vastgesteld dat de dagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend, kon het hof aannemen dat de proeftijd is ingegaan op de 15e dag nadat de einduitspraak is gedaan.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 14b
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 366
Wetboek van Strafvordering 366a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1340
NJ 2010/602
NJB 2010, 2107
NBSTRAF 2010/360
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 november 2010

Strafkamer

nr. 09/00354

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 januari 2009, nummer 22/002306-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel richt zich tegen 's Hofs last tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 6 april 2007 opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

2.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in:

"De raadsman van de verdachte wordt onmiddellijk na het voordragen van de zaak in de gelegenheid gesteld de bezwaren van de verdachte tegen het vonnis op te geven.

De raadsman geeft op dat de verdachte van oordeel is dat ten onrechte de tenuitvoerlegging is gelast van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, aangezien volgens de verdachte geen mededeling zoals bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is gedaan van de voorwaardelijke veroordeling zoals vermeld in het verstekvonnis van 6 april 2007, waardoor de proeftijd nog geen aanvang heeft genomen.

Het hof verwerpt dit verweer van de raadsman. De verdachte is op 6 april 2007 bij verstek veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden. De dagvaarding van die zitting is aan de verdachte in persoon uitgereikt op 12 februari 2007. Dientengevolge wordt de verdachte geacht op de hoogte te zijn geweest van die zitting. De toezending van de kennisgeving zoals bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is niet constitutief voor het rechtsgeldig ingaan van de proeftijd."

2.2.2. Het bestreden arrest houdt in:

"Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage van 6 april 2007 onder parketnummer 09-615597-06 is de verdachte onder meer veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, met bevel dat de ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Immers, de verdachte heeft de in de onderhavige strafzaak onder 1, 2, 3 bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten."

2.3. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.

- Art. 366 Sv:

"1. De officier van justitie doet de mededeling van het vonnis dat de beslissing van de rechtbank op grond van artikel 349, 351 of 352, tweede lid, bevat en dat buiten de aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken, zo spoedig mogelijk aan hem betekenen.

2. Deze mededeling wordt niet gedaan

a. aan de verdachte aan wie de dagvaarding of aan wie de oproeping voor de nadere terechtzitting na schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd, in persoon is betekend,

(...)"

- Art. 366a Sv:

"1. In geval artikel 14a of 77x van het Wetboek van Strafrecht is toegepast, kan vanwege het openbaar ministerie aan de verdachte aanstonds na de uitspraak op de terechtzitting een mededeling in persoon worden uitgereikt. De mededeling houdt in de straf waartoe de verdachte is veroordeeld, alle beslissingen die betrekking hebben op de in artikel 14c of 77z van het Wetboek van Strafrecht omschreven algemene en bijzondere voorwaarden en de datum van de ingang van de proeftijd, indien de verdachte afziet van het instellen van een rechtsmiddel.

2. Indien van het vonnis op grond van artikel 366, tweede lid, geen mededeling behoeft te worden gedaan en indien artikel 14a of 77x van het Wetboek van Strafrecht is toegepast, wordt de mededeling bedoeld in het eerste lid, aan de niet op de terechtzitting waarop de uitspraak wordt gedaan verschenen verdachte toegezonden over de post. Deze toezending geschiedt ook indien de uitreiking in persoon, bedoeld in het eerste lid, niet heeft plaatsgevonden.

3. In alle overige gevallen wordt de mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan de verdachte in persoon betekend. Deze mededeling bevat tevens de in artikel 366, eerste en derde lid, genoemde gegevens.

(...)"

- Art. 14b Sr:

"1. De rechter die bepaalt dat een door hem opgelegde straf geheel of gedeeltelijk niet zal worden tenuitvoergelegd, stelt daarbij een proeftijd vast.

(...)

3. De proeftijd gaat in:

a. indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is uitgereikt of toegezonden, op de vijftiende dag nadat de einduitspraak is gedaan, tenzij door de tijdige aanwending van een rechtsmiddel het vonnis of arrest niet onherroepelijk is geworden;

b. indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering moet worden betekend, op de vijftiende dag na die betekening, tenzij door de tijdige aanwending van een rechtsmiddel het vonnis of arrest niet onherroepelijk is geworden.

(...)"

2.4. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 15 januari 1998 (Stb. 1998, 35) tot wijziging van enige bepalingen in het Wetboek van Strafvordering inzake het rechtsgeding voor de politierechter en de mededeling van vonnissen en arresten met het oog op het instellen van een rechtsmiddel en van de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht betreffende het kennisgeven en het ingaan van de proeftijd bij een voorwaardelijke veroordeling, houdt mede ter toelichting van de regeling van art. 14b Sr in:

"In een apart artikel kan beter worden geregeld welke kennisgeving van de voorwaardelijke veroordeling nog naast de mededeling van de uitspraak moet worden gedaan. Die regeling hoort op systematische gronden eerder in het Wetboek van Strafvordering thuis. Daarbij dienen drie soorten gevallen te worden onderscheiden:

a. de verdachte was bij de uitspraak aanwezig. Aan hem kan ter plekke een kennisgeving van voorwaardelijke veroordeling worden uitgereikt. Als hij geen rechtsmiddel aanwendt, is het vonnis na veertien dagen onherroepelijk en dan gaat ingevolge artikel 14b, derde lid, onder a, Sr. op de vijftiende dag de proeftijd lopen;

b. de verdachte was niet bij de uitspraak aanwezig, maar hij was van het tijdstip op de hoogte (de gevallen ex artikel 366, tweede lid). In die gevallen behoeft geen afzonderlijke mededeling van het vonnis te worden gedaan; er is een korte appeltermijn en na het ongebruikt verstrijken daarvan is het vonnis onherroepelijk. Er is geen reden om voor de voorwaardelijke veroordeling een ander regime toe te passen dan voor de mededeling van het vonnis. Ook hier geldt in beginsel dat het aan de verdachte wordt overgelaten om naar de uitkomst van de berechting te informeren. Omdat evenwel van belang is dat het begin van de proeftijd wordt gefixeerd, is bepaald dat van de veroordeling kennis moet worden gegeven, doch betekening is niet vereist. De toezending van de kennisgeving is niet constitutief voor het rechtsgeldig ingaan van de proeftijd. De proeftijd begint ingevolge artikel 14b, derde lid, onder a, Sr te lopen op de vijftiende dag na de einduitspraak, tenzij het vonnis of arrest door het instellen van een rechtsmiddel niet onherroepelijk is geworden. De toezending van de kennisgeving van veroordeling moet gezien worden als het doen van een mededeling zonder dat daaraan de bijzondere rechtsgevolgen met betrekking tot het onherroepelijk worden van het vonnis zijn verbonden.

c. (...)"

(Kamerstukken II, 1995-1996, 24 834, nr. 3, p. 12)

2.5. Voor gevallen waarin aan de verdachte geen (verstek)mededeling van het vonnis in de zin van art. 366 Sv behoeft te worden gedaan, maar aan deze wel een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf met een proeftijd is opgelegd, bepaalt art. 366a, tweede lid, Sv dat een mededeling van de voorwaardelijke veroordeling, inhoudende onder meer de datum van de ingang van de proeftijd, per post aan de verdachte wordt toegezonden. Ingevolge art. 14b, derde lid, Sr gaat de proeftijd alsdan in op de vijftiende dag nadat de einduitspraak is gedaan, tenzij door de tijdige aanwending van een rechtsmiddel het vonnis of arrest niet onherroepelijk is geworden.

2.6. Niet is gebleken dat in het onderhavige geval toezending van de mededeling in de zin van art. 366a, tweede lid, Sv aan de verdachte heeft plaatsgevonden. Blijkens de hiervoor onder 2.4 weergegeven wetsgeschiedenis moet evenwel worden aangenomen dat dit aan het ingaan van de proeftijd niet in de weg staat omdat het uitgangspunt is "dat het aan de verdachte wordt overgelaten om naar de uitkomst van de berechting te informeren". Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de dagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend, geeft 's Hofs oordeel dat de proeftijd is ingegaan op de vijftiende dag nadat de einduitspraak is gedaan, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk.

2.7. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 2 november 2010.