Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BO1821

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-12-2010
Datum publicatie
17-12-2010
Zaaknummer
09/02345
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BO1821
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Of een onherroeplijke strafrechtelijke veroordeling van een werknemer die als gevolg daarvan zijn werk verzuimt een ontslag op staande voet rechtvaardigt, moet worden beoordeeld op grond van alle - in onderling verband en samenhang te beschouwen - omstandigheden van het geval (vgl. HR 12 februari 1999, NJ 1999, 643). Werkverzuim als gevolg van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling levert dus niet in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, een dringende reden op voor onstalg opstaande voet; ook niet als het een veroordeling voor een ernstig delicht betreft waardoor de werknemer nog geruime tijd gedetineerd blijft.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Burgerlijk Wetboek Boek 7 678
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/6
NJ 2011/351 met annotatie van E. Verhulp
RAR 2011/37
NJB 2011, 49
TRA 2011, 28 met annotatie van C.J. Frikkee
JAR 2011/19 met annotatie van mr. dr. M.M. Koevoets
AR-Updates.nl 2010-0982 met annotatie van A.R. Houweling
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 december 2010

Eerste Kamer

09/02345

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als ABN AMRO en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak onder kenmerk CV 07-7220 van de kantonrechter te Amsterdam van 19 juni 2007, 27 november 2007 en 22 januari 2008;

b. het arrest in de zaak 200.003.140/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 17 februari 2009.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft ABN AMRO beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Namens ABN AMRO hebben mr. J.P. Heering en mr. L.B. de Graaf, advocaten te 's-Gravenhage, bij brief van 28 oktober 2010 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder], geboren in 1953, is op 1 september 1971 bij ABN AMRO in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam op de afdeling "Corporate Clients" bij de kredietadministratie van die bank.

(ii) Op 4 april 2006 is [verweerder] op verdenking van het plegen van ontucht met zijn minderjarige stiefzoon in voorlopige hechtenis genomen. [Verweerder] heeft dit - via de bedrijfsarts - aan ABN AMRO gemeld. Met ingang van 26 april 2006 heeft ABN AMRO de betaling van het salaris aan [verweerder] stopgezet.

(iii) [Verweerder] is op 30 augustus 2006 ter zake van het strafbare feit waarvan hij werd verdacht, veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk. Ook hiervan is ABN AMRO door [verweerder] (met voortvarendheid) in kennis gesteld. ABN AMRO heeft [verweerder] verzocht een afschrift van het strafvonnis aan haar te verstrekken, maar dit heeft [verweerder] geweigerd, hetgeen hij in een brief van 26 januari 2007 van zijn raadsman aan ABN AMRO heeft laten weten. In die brief is aan ABN AMRO tevens meegedeeld dat [verweerder] het door hem tegen het strafvonnis ingestelde hoger beroep zou intrekken.

(iv) Hierop heeft ABN AMRO bij brief van 1 februari 2007 aan [verweerder] zijn ontslag op staande voet aangezegd.

De bank schrijft in haar brief:

"De dringende reden bestaat uit het navolgende.

U bent in april 2006 gedetineerd. Op 30 augustus 2006 bent u wegens jarenlang seksueel misbruik van tenminste één van uw stiefkinderen veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar, die u op dit moment nog uitzit. U heeft tegen deze veroordeling hoger beroep ingesteld, maar uw advocaat heeft ons bij brief van 26 januari 2007 aangegeven dat u heeft besloten het hoger beroep binnenkort in te trekken, waarmee uw veroordeling onherroepelijk is geworden. Wij achten de bovenomschreven u verweten handelwijze(n), ieder voor zich doch tevens in samenhang beschouwd, onaanvaardbaar. (...) Het vertrouwen dat wij in u moeten kunnen stellen is hierdoor onherstelbaar geschaad. Gelet op het vorenstaande kan van ons redelijkerwijs niet gevergd worden het dienstverband met u te continueren."

(v) [Verweerder], die het hoger beroep tegen het strafvonnis op 5 februari 2007 heeft ingetrokken, heeft de ongeldigheid van het ontslag ingeroepen en zich bereid verklaard zijn werkzaamheden te hervatten zodra zijn detentie zou zijn geëindigd. De detentie van [verweerder] is begin augustus 2007 geëindigd.

3.2 Voor zover in cassatie nog van belang, vordert [verweerder] in deze procedure een verklaring voor recht dat het hem op 1 februari 2007 gegeven ontslag op staande voet nietig is, alsmede een veroordeling tot betaling van loon met emolumenten vanaf het moment waarop de detentie is geëindigd en hij weer beschikbaar is voor het verrichten van zijn werkzaamheden, tot aan de rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

3.3 Deze vorderingen zijn door de kantonrechter en het hof toegewezen. Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.

Bij de beoordeling van de vraag of een ontslag op staande voet rechtsgeldig is, behoren in beginsel alle - in onderling verband en samenhang te beschouwen - omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Er zijn op dit punt nauwelijks algemene en vaste regels te geven, maar het enkele feit dat de werknemer gedetineerd is en hij daardoor zijn werk verzuimt, is niet (op zichzelf al) voldoende voor een ontslag op staande voet. (rov. 4.4)

Of een detentie en het daaruit voorvloeiende werkverzuim van een werknemer voldoende zijn voor een ontslag op staande voet hangt af van bijkomende omstandigheden, zoals de vraag of de werknemer een verwijt valt te maken dat hij gedetineerd is geraakt en, bijvoorbeeld, of hij de werkgever van zijn detentie (zo spoedig als mogelijk en noodzakelijk was) in kennis heeft gesteld. Het hof volgt ABN AMRO dus niet in haar primaire stelling dat het enkele feit dat een werknemer als gevolg van detentie kortere of langere tijd niet op het werk verschijnt op zichzelf al een grond voor ontslag op staande voet oplevert en dat dit eens te meer het geval is als de werknemer bij onherroepelijk vonnis tot een (lange) gevangenisstraf is veroordeeld. ABN AMRO heeft de enkele detentie van [verweerder] kennelijk zelf ook niet voldoende geacht voor zijn ontslag op staande voet, nu zij het ontslag aan [verweerder] immers niet heeft aangezegd op het moment dat (of kort nadat) zij van de detentie van [verweerder] op de hoogte is gekomen. (rov. 4.5)

ABN AMRO heeft [verweerder] op 1 februari 2007 op staande voet ontslagen, klaarblijkelijk omdat (pas) toen vaststond dat de strafrechtelijke veroordeling niet meer ongedaan zou (kunnen) worden gemaakt en [verweerder] nog geruime tijd gedetineerd zou blijven. De vraag of de onherroepelijkheid van het strafvonnis en het feit dat voor ABN AMRO vaststond dat [verweerder] zeker nog gedurende geruime tijd ongeoorloofd van zijn werk zou verzuimen, op zichzelf een ontslag op staande voet kunnen wettigen, kan hier onbeantwoord blijven. In het onderhavige geval doet zich immers een aantal omstandigheden voor die meebrengen dat het door ABN AMRO gegeven ontslag op staande voet als niet rechtsgeldig moet worden aangemerkt. (rov. 4.6-4.7)

Daartoe neemt het hof in de eerste plaats in aanmerking dat het strafbare feit waarvoor [verweerder] is veroordeeld in geen enkel verband stond tot de werkzaamheden die hij voor ABN AMRO verrichtte.

Het delict heeft zich geheel in de privésfeer voltrokken en niet gebleken is dat van zijn strafbare handelingen enige negatieve invloed op zijn functioneren als werknemer is uitgegaan. Integendeel, tussen partijen staat vast dat [verweerder] gedurende de (geruime) tijd dat hij voor ABN AMRO werkzaam is geweest voortreffelijk heeft gefunctioneerd. Ten tweede heeft ABN AMRO geen directe schade geleden als gevolg van het feit dat [verweerder] een detentie onderging en voorlopig nog geruime tijd gedetineerd zou blijven. ABN AMRO betaalde het loon van [verweerder] niet meer uit (waartoe zij op grond van artikel 7:628 BW ook gerechtigd was) en heeft met zoveel woorden te kennen gegeven dat zij als gevolg van de detentie geen schade aan de bedrijfsvoering heeft ondervonden nu de werkzaamheden van [verweerder] onder diens collega's van de kredietadministratie zijn verdeeld, waarbij de bank tevens heeft opgemerkt dat de vrijgekomen functie van [verweerder] na zijn ontslag niet is opgevuld of vacant gesteld. ABN AMRO heeft nog gesteld dat [verweerder] door zijn detentie (langdurig) uit het arbeidsproces is geweest en niet in staat is geweest de veranderingen mee te maken en zich daaraan aan te passen, maar het hof ziet hierin geen rechtvaardiging voor een ontslag op staande voet. Tezamen met voorts de duur van het dienstverband en de leeftijd van [verweerder] (dit in relatie tot zijn kansen op de arbeidsmarkt) leidt dit alles het hof tot het oordeel dat de onherroepelijkheid van de strafrechtelijke veroordeling van [verweerder] en zijn voortdurende detentie niet voldoende zijn voor het hem gegeven ontslag op staande voet. De ernst van het begane delict en de omstandigheid dat op de werkvloer bij terugkeer van [verweerder] onrust zou ontstaan, brengen hierin geen verandering. Het door ABN AMRO gestelde geschade vertrouwen in [verweerder] kan op de hiervoor vermelde gronden evenmin tot een ander oordeel leiden. (rov. 4.8-4.9)

3.4 Onderdeel 1 strekt in de eerste plaats ten betoge dat het hof heeft miskend dat het enkele feit dat de werknemer gedetineerd is en daardoor zijn werk verzuimt, op zichzelf al 'kan bijdragen' aan het oordeel dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag omdat het hof zulks niet heeft miskend, maar juist heeft geoordeeld dat bij de beoordeling van de vraag of dat feit een ontslag op staande voet rechtvaardigt, alle - in onderling verband en samenhang te beschouwen - omstandigheden van het geval (dus ook de omstandigheid dat het werkverzuim een gevolg is van detentie) in aanmerking behoren te worden genomen. Dat oordeel is juist (vgl. HR 12 februari 1999, nr. C97/211, LJN ZC2849, NJ 1999/643), hetgeen meebrengt dat de overige in onderdeel 1 aangevoerde rechtsklachten - die gericht zijn tegen het oordeel van het hof dat het enkele feit van detentie van de werknemer waardoor hij zijn werk verzuimt, op zichzelf (waarmee het hof bedoelt: los van de overige omstandigheden van het geval) niet voldoende is voor een ontslag op staande voet - evenmin doel treffen. Anders dan in de schriftelijke toelichting namens ABN AMRO wordt verdedigd, bestaat geen grond voor een algemene 'subregel' dat werkverzuim als gevolg van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, een dringende reden vormt die ontslag op staande voet rechtvaardigt. Dat geldt evenzeer indien het werkverzuim het gevolg is van een veroordeling wegens een ernstig delict waardoor de werknemer nog geruime tijd gedetineerd blijft.

3.5 Gelet op het voorgaande heeft het hof voor zijn oordeel dat het aan [verweerder] gegeven ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd was, dan ook terecht gewicht gehecht niet alleen (in rov. 4.9) aan de duur van het dienstverband en de leeftijd van [verweerder] (dit in relatie tot zijn kansen op de arbeidsmarkt), maar ook (in rov. 4.8) aan de omstandigheden dat het strafbare feit waarvoor hij is veroordeeld in geen enkel verband stond tot de werkzaamheden die hij voor ABN AMRO verrichtte, zich geheel in de privésfeer heeft voltrokken en op zijn functioneren als werknemer geen negatieve invloed heeft gehad, dat [verweerder] steeds voortreffelijk heeft gefunctioneerd, en dat ABN AMRO geen directe schade heeft geleden als gevolg van de langdurige detentie. Anders dan de onderdelen 3 en 4 betogen, is het hof voorts niet (ongemotiveerd) voorbijgegaan aan de stellingen van ABN AMRO over de ernst van het delict, de bij terugkeer van [verweerder] te verwachten onrust op de werkvloer, en het geschonden vertrouwen van ABN AMRO in hem, maar heeft het die stellingen in rov. 4.9 uitdrukkelijk in zijn oordeel betrokken doch van minder gewicht geacht dan de hiervoor vermelde omstandigheden. Dat oordeel, dat berust op waarderingen van feitelijke aard, is, mede gelet op het bestaan van andere mogelijkheden tot beëindiging van de arbeidsverhouding, niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. De onderdelen 3 en 4 falen derhalve.

3.6 De in onderdeel 2 aangevoerde klachten hebben naast de hiervoor besproken klachten geen zelfstandige betekenis en delen derhalve in het lot daarvan.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt ABN AMRO in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, W.A.M. van Schendel, C.A. Streefkerk en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 17 december 2010.