Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BO1763

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-12-2010
Datum publicatie
17-12-2010
Zaaknummer
09/01542
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BO1763
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vermogensrecht. Geen verkrijgende verjaring van strook grond ex art. 3:105 BW. Hof had moeten onderkennen dat na de erkenning in de zin van art. 3:318 BW, waardoor de verjaring werd gestuit, op de voet van art. 3:319 BW een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren aanving. In dit geval betekent de erkenning evenwel dat de rechtsvoorganger van de bezitter de strook grond hield voor de eigenaar van het naburige erf en dus geen bezitter, maar slechts (niet-onrechtmatig) houder was, zodat geen verkrijgende verjaring heeft plaatsgevonden op de voet van art. 3:105 in verbinding met 3:102 en 3:306 BW (dan wel in verbinding met art. 3:306 en 3:314 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/2
NJ 2011/291 met annotatie van F.M.J. Verstijlen
NJB 2011, 40
JWB 2010/544
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 december 2010

Eerste Kamer

09/01542

EV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. R.F. Thunnissen,

t e g e n

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. L. Kelkensberg.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 73166 / HA ZA 04-569 van de rechtbank Groningen van 12 oktober 2005;

b. de arresten in de zaak met rolnummer 0600059 en zaaknummer 107/000.884/01 van het gerechtshof te Leeuwarden van 18 april 2007, 19 december 2007 en 6 januari 2009.

Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing ter verdere afdoening.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Vóór 1974 behoorden de huidige percelen [a-straat 1] en [a-straat 2] te [plaats] toe aan de gemeente Nieuwe Pekela. De twee percelen hadden tezamen één kadastraal nummer. In 1974 is het perceel [a-straat 1] door de gemeente aan de ouders van [eiser] (hierna: [het echtpaar]) geleverd, ten behoeve van de bouw van een woonhuis. Het perceel [a-straat 2] is tegelijkertijd aan (alleen) de vader van [eiser] (hierna: [betrokkene 1]) geleverd, ten behoeve van de bouw van een apotheek.

(ii) In 1975 is op het perceel [a-straat 1] een woonhuis gebouwd, dat sindsdien is bewoond door [het echtpaar]. In 1979 is op het perceel [a-straat 2] een apotheek gebouwd, waarin [betrokkene 1] zijn beroep van apotheker uitoefende.

(iii) In of omstreeks het jaar 1978 is het perceel gesplitst in twee kadastrale percelen, met het nummer [001] ([a-straat 1]) en het nummer [002] ([a-straat 2]).

(iv) In 1978 is tussen [a-straat 1] en [a-straat 2] een hek geplaatst om de grens tussen woonhuis en apotheek af te bakenen.

(v) [betrokkene 1] heeft op 29 september 1995 de eigendom van perceel [a-straat 2] overgedragen aan (een vennootschap van) [betrokkene 2], die op zijn beurt de eigendom op 1 oktober 2003 heeft overgedragen aan [verweerder].

(vi) Op 28 december 1995 heeft [eiser] het perceel [a-straat 1] in eigendom verkregen van zijn moeder, [betrokkene 3], die sedert 1991 krachtens toedeling enig eigenaar van het perceel was.

(vii) Nadat [verweerder] in 2003 de eigendom had verkregen van het perceel [a-straat 2], heeft hij het (in 1978 geplaatste) hekwerk over een breedte van circa drie meter verplaatst richting het perceel [a-straat 1]. Later heeft [verweerder] het aldus verplaatste hekwerk vervangen door een nieuw hekwerk.

3.2 [Eiser] vordert, kort weergegeven, een verklaring voor recht dat hij eigenaar is van de strook grond van circa drie meter waarover [verweerder] het hek heeft verplaatst (hierna: de strook grond), alsmede veroordeling van [verweerder] tot herstel van de situatie in de oude toestand. Hij legt daaraan primair ten grondslag dat de perceelsgrens tussen [a-straat 1] en 8 precies daar loopt waar zijn rechtsvoorgangers in 1978 een hekwerk hadden geplaatst, subsidiair dat hij uit hoofde van art. 3:105 BW in verbinding met art. 3:306 BW de eigendom van de strook grond in 1998 - twintig jaren nadat zijn rechtsvoorgangers die strook in bezit hadden genomen - heeft verkregen omdat toen de extinctieve verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van dit bezit was voltooid, en meer subsidiair dat hij de strook grond op de voet van art. 3:99 BW op grond van verkrijgende verjaring in eigendom heeft verkregen door een onafgebroken bezit te goeder trouw van tien jaren. [Verweerder] heeft de strook grond derhalve zonder recht of titel in bezit genomen.

3.3 [Verweerder] heeft zich als volgt tegen de vordering verweerd. Volgens hem valt de strook grond binnen de kadastrale grenzen van het perceel [a-straat 2] zoals die in 1978 zijn bepaald, en is hij dus bij de overdracht van dat perceel aan hem in 2003 eigenaar geworden (ook) van de strook grond. De rechtsvoorgangers van [eiser] hielden deze strook grond niet voor zichzelf; er was bij hen dus geen sprake van bezit, maar slechts van houderschap. Als de rechtsvoorgangers van [eiser] al bezit uitoefenden over de bewuste strook grond, dan was in ieder geval niet voldaan aan het in art. 3:99 BW gestelde vereiste van goede trouw. Verder kan het beroep op verkrijging door extinctieve verjaring krachtens art. 3:105 in verbinding met art. 3:306 BW niet slagen, nu [betrokkene 3] op 29 september 1995 tegenover [betrokkene 2] diens eigendom van de strook grond heeft erkend zodat de extinctieve verjaring van de rechtsvordering tot revindicatie op de voet van art. 3:318 BW is gestuit voordat die in 1998, na twintig jaar, zou zijn voltooid.

In reconventie heeft [verweerder] gevorderd [eiser] op de voet van art. 5:49 BW te veroordelen hem een bedrag van € 637,50 te betalen, ter vergoeding van de helft van de kosten die hij heeft moeten maken om het hek op de perceelsgrens neer te zetten.

3.4.1 De rechtbank heeft de juistheid van de primaire grondslag van de vordering van [eiser] in het midden gelaten, en geoordeeld dat hij de eigendom van de strook grond in 1998, krachtens art. 3:105 in verbinding met art. 3:306 BW, door extinctieve verjaring van de vordering tot revindicatie heeft verkregen. Zij heeft daarom de vorderingen in conventie toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen.

3.4.2 Het hof heeft, op grond van een in zijn eerste tussenarrest gelaste kadastrale uitmeting, in zijn tweede tussenarrest geoordeeld dat het door [verweerder] in 2003 geplaatste hek zich precies op de erfgrens tussen beide percelen bevond, zodat de primaire grondslag van [eiser]'s vordering geen stand houdt (rov. 1-2). Ook het meer subsidiair gedane beroep op verkrijgende verjaring door een onafgebroken bezit te goeder trouw van tien jaren (art 3:99 BW) heeft het hof verworpen, omdat [betrokkene 3] - al aangenomen dat zij als bezitter van de strook grond kan worden aangemerkt - niet aangemerkt kan worden als bezitter te goeder trouw, terwijl [eiser] zelf korter dan tien jaren bezitter is geweest (rov. 4-5). Deze oordelen zijn in cassatie niet bestreden.

3.4.3 Met betrekking tot de subsidiaire grondslag van de vordering heeft het hof, na in zijn tweede tussenarrest een bewijsopdracht te hebben gegeven, in zijn eindarrest geoordeeld dat [betrokkene 3] op 29 september 1995 de aanspraken van [betrokkene 2] als eigenaar van de strook grond heeft erkend, als gevolg waarvan de (veronderstelde) verjaring van de vordering tot revindicatie is gestuit (rov. 1-9). Ook dit oordeel is in cassatie niet bestreden.

3.4.4 Op grond van het voorgaande heeft het hof geconcludeerd dat ook geen sprake is van verkrijging van de strook grond door [eiser] op de voet van art. 3:105 in verbinding met art. 3:306 BW (rov. 9), en dat de strook grond dus steeds eigendom is gebleven van de eigenaar van perceel [a-straat 2], derhalve thans van [verweerder]. Dat brengt mee dat de grondslag is ontvallen aan de vorderingen van [eiser], en dat de (in hoger beroep vermeerderde) vorderingen van [verweerder] alsnog toewijsbaar zijn (rov. 10-14).

3.5 Het eerste middel, dat zich uitsluitend tegen de hiervoor in 3.4.4 weergegeven oordelen richt, strekt ten betoge dat het hof heeft miskend dat krachtens art. 3:319 lid 2 BW na de stuiting van de verjaring een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren is aangevangen, die - bij gebreke van een nieuwe stuiting - op 30 september 2000 is verstreken, zodat de vordering tot revindicatie hoe dan ook is verjaard voordat [verweerder] eigenaar werd van perceel [a-straat 2]. [Eiser] heeft zich in appel bij memorie na enquête, onder vermelding van art. 3:319, uitdrukkelijk op dit rechtsgevolg beroepen, en bovendien had het hof ingevolge art. 25 Rv. ambtshalve deze rechtsgrond moeten aanvullen.

3.6 Deze klacht is gegrond. [Eiser] heeft zich vanaf het begin van de procedure beroepen op de rechtsgevolgen van art. 3:105 BW en de daartoe benodigde feiten gesteld, in het bijzonder dat de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit ingevolge art. 3:306 BW was voltooid. Het hof heeft dit betoog verworpen op grond van zijn aanvaarding van het verweer van [verweerder] dat de lopende verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit, ingevolge art. 3:318 BW was gestuit door erkenning op 29 september 1995 zijdens [betrokkene 3] van het recht van [verweerder]'s rechtsvoorganger [betrokkene 2]. Het hof had evenwel moeten onderkennen dat aanvaarding van dit verweer op grond van art. 3:319 tot gevolg zou hebben dat - nog steeds uitgaande van 's hofs veronderstelling dat [betrokkene 3] bezitter was, zoals [eiser] had gesteld - een nieuwe verjaringstermijn begon te lopen van (in dit geval) vijf jaren, zodat de mogelijkheid open bleef dat de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit - bij gebreke van een nieuwe stuitingshandeling - op 30 september 2000 zou verjaren en dat derhalve het rechtsgevolg van art. 3:105 (verkrijging van de eigendom van de strook grond) op dat moment alsnog zou intreden ten gunste van [eiser]. Nu na stuiting van de verjaring het gaan lopen van een nieuwe verjaringstermijn ingevolge art. 3:319 van rechtswege geschiedt, had het hof zulks ambtshalve in aanmerking moeten nemen.

3.7 De gegrondbevinding van het eerste middel kan evenwel niet tot cassatie leiden. Het hof heeft, in cassatie onbestreden, op grond van de afgelegde getuigenverklaringen geoordeeld dat [betrokkene 3] op 29 september 1995 de aanspraken van de eigenaar van perceel [a-straat 2] op de strook grond heeft erkend (eindarrest, rov. 8 en 9). Dat brengt niet alleen mee, zoals het hof in rov. 9 heeft geoordeeld, dat de (veronderstelde) verjaring van de vordering tot revindicatie van de strook grond is gestuit, maar laat ook geen andere conclusie toe dan dat [betrokkene 3] - in ieder geval vanaf 29 september 1995 - niet (langer) als bezitter van de strook grond kan worden aangemerkt (zoals het hof, blijkens rov. 5 van zijn tweede tussenarrest, vooralsnog in het midden had gelaten). Erkenning door [betrokkene 3] van de aanspraken van de eigenaar van perceel [a-straat 2] op de strook grond houdt immers in dat zij de strook grond houdt voor de eigenaar van perceel [a-straat 2] (blijkens de getuigenverklaringen: met diens toestemming) en niet voor zichzelf.

Het voorgaande brengt mee dat in rechte niet (meer) kan worden uitgegaan van hetgeen [eiser] in verband met de subsidiaire grondslag van zijn vordering had aangevoerd, namelijk dat sprake is van bezit van meer dan twintig jaren, welk bezit bij zijn moeder is aangevangen en door hemzelf is voortgezet. Ook indien zijn moeder op enig moment in de periode tussen 29 september en 28 december 1995 (toen zij de eigendom van perceel [a-straat 1] aan hem overdroeg) overeenkomstig art. 3:111 BW (opnieuw) bezitter van de strook grond zou zijn geworden, is de termijn van twintig jaren, die dan opnieuw was aangevangen, immers niet voltooid. Om die reden faalt zijn beroep op de bevrijdende verjaring van de rechtsvordering van [verweerder] strekkende tot beëindiging van zijn ([eiser]'s) bezit, en kan het door hem ingeroepen rechtsgevolg van art. 3:105 niet intreden.

Nu ook het op 28 december 1995 aangevangen bezit van [eiser] zelf onvoldoende is om tot eigendomsverkrijging van de strook grond te leiden (zoals het hof, in cassatie onbestreden, in rov. 4-5 van zijn tweede tussenarrest heeft geoordeeld, vgl. hiervoor in 3.4.2), kan de conclusie geen andere zijn dan dat [eiser], ondanks gegrondbevinding van het eerste middel, niet die eigendom heeft verkregen en dat die eigendom toekomt aan (thans) [verweerder].

3.8 De overige middelen bouwen voort op het eerste middel en hebben geen zelfstandige betekenis. Ook zij kunnen dus niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 17 december 2010.