Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BO1395

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
22-10-2010
Zaaknummer
10/00484
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2010:BL1881, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 3:145 Wet IB 2001 (tekst 2004). Verklaringen belastingplichtige niet uit te sluiten als een (aanvullend) bewijsmiddel om te doen te blijken dat een hem ter beschikking gestelde auto voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2011/22
Belastingadvies 2010/23.7
V-N 2010/54.18 met annotatie van Redactie
FutD 2010-2444
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 10/00484

Hoge Raad der Nederlanden

Derde Kamer

22 oktober 2010

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 januari 2010, nr. BK-09/00066, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.

De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 07/6557 IB/PVV) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is werkzaam bij een autoverhuur- en leasebedrijf (hierna: het bedrijf). Aan belanghebbende zijn in 2004 ook voor privé-doeleinden auto's ter beschikking gesteld (hierna: de auto's).

3.1.2. Gedurende een deel van het jaar 2004 moest belanghebbende een auto die hem op dat moment ter beschikking was gesteld, overdag beschikbaar stellen aan andere medewerkers van het bedrijf voor het halen en brengen van huur- en leaseauto's naar verschillende adressen (hierna: pendelritten).

3.1.3. Belanghebbende heeft een rittenadministratie overgelegd met betrekking tot de auto's (hierna: de rittenadministratie). De rittenadministratie vermeldt ter zake van de pendelritten in de auto's niet wat de bestemming van die ritten is geweest en evenmin welke route is gereden.

3.2. In geschil is of het voordeel van belanghebbende als bedoeld in artikel 3.145, lid 1, van de Wet IB 2001 (tekst 2004) ter zake van het ook voor privé-doeleinden ter beschikking hebben van de auto's op grond van het tweede lid van dat artikel op nihil moet worden gesteld. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord.

3.3. Artikel 3.145, lid 2, van de Wet IB 2001 brengt mee dat het in 3.2 bedoelde voordeel op nihil wordt gesteld indien uit de rittenadministratie of anderszins blijkt dat belanghebbende de auto's in 2004 voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden heeft gebruikt.

3.4.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de rittenregistratie niet voldoet aan de eisen die daaraan zijn gesteld door artikel 3.145, lid 4, van de Wet IB 2001 in verbinding met artikel 22 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.

3.4.2. Voor zover de klachten tegen dit oordeel opkomen, falen zij. Uitgaande van de door het Hof in onderdeel 3.3 van zijn uitspraak vastgestelde feiten, die ook in cassatie vaststaan, is zijn oordeel in zoverre juist.

3.5.1. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende ook geen ander bewijs heeft bijgebracht om zijn stelling te onderbouwen dat in de geadministreerde pendelritten geen kilometers zijn begrepen voor privé-doeleinden. Het Hof heeft daarbij overwogen dat belanghebbende geen bescheiden heeft overgelegd aan de hand waarvan kan worden gecontroleerd dat wat betreft de pendelritten sprake is van een sluitende rittenregistratie.

3.5.2. Voor zover de klachten zich tegen deze oordelen richten, slagen zij. Het Hof is bij zijn oordeel kennelijk uitgegaan van de opvatting dat (aanvullend) bewijs bij de onderhavige verzwaarde bewijslast slechts kan worden geleverd met schriftelijke stukken, en dat verklaringen zoals die welke belanghebbende voor de Rechtbank heeft afgelegd in dit verband nimmer tot het bewijs kunnen bijdragen. Deze opvatting is onjuist (vgl. HR 13 september 1989, nr. 26254, BNB 1989/318). Een belanghebbende kan met elk bewijsmiddel doen blijken dat hij de hem ter beschikking gestelde auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden heeft gebruikt in de zin van artikel 3.145, lid 4, van de Wet IB 2001.

3.6. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwde waardering van het bewijs. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 110.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2010.