Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BO0147

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
09/02613 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 oktober 2010

Strafkamer

nr. 09/02613 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 maart 1996, nummer 22/002226-95, ingediend door:

[Aanvrager], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, ten tijde van de aanvrage gedetineerd in het forensisch psychiatrisch centrum "Oldenkotte" te Rekken.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 21 september 1995 - de aanvrager ter zake van 1. "verkrachting" en 2. "diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen", 3. "wederspannigheid" en 4. "handelen in strijd met art. 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie" veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven en voorts de terbeschikkingstelling van de aanvrager gelast, met bevel tot verpleging van overheidswege.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.2. Art. 459 Sv schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.

3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en 460 Sv, niet worden ontvangen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 12 oktober 2010.