Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BN9289

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
09/02388
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BN9289
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 359.3 Sv. Gegronde bewijsklacht.’ s-Hofs arrest bevat van een aantal gebezigde bewijsmiddelen niet de inhoud en zonder deze inhoud kan de bewezenverklaring niet uit de overige bewijsmiddelen worden afgeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1431
NJB 2010, 2310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 november 2010

Strafkamer

Nr. 09/02388

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 28 november 2008, nummer 24/000755-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor zover het betreft de ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde genomen beslissingen, de strafoplegging en de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, tot terugwijzing van de zaak in zoverre naar het Gerechtshof te Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 1 april 2006 op diverse data en tijdstippen te Heerenveen, in het arrondissement Leeuwarden, meermalen telkens een nader te noemen factuur of nota ten name van Stichting [A] en/of [B] en gericht aan Stichting [C], - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, valselijk:

- op de factuur/nota d.d. 19 januari 2004 het briefhoofd en logo van Stichting [A] (nader te noemen Stichting [A]) en [B] aangebracht/vermeld, en

- op voornoemde factuur/nota niet gemaakte kosten, te weten kosten voor software en bijdrage personeel, ter hoogte van 16.500,- euro vermeld en

- op voornoemde factuur/nota vermeld dat Stichting [A] deel uitmaakt van [B] en

- op voornoemde factuur/nota het Postbankrekeningnummer [001] t.n.v. [A] en het niet bestaande Kamer van Koophandelnummer [002] en het adres Postbus [004], [0000 AA plaats] vermeld

en

- op de factuur/nota d.d. 19 februari 2004 het briefhoofd en logo van [B] aangebracht/vermeld, en

- op voornoemde factuur/nota vermeld dat er een bedrag van 40.000,- euro dient te worden teruggeboekt in verband met teveel ontvangen financiering, en

- op voornoemde factuur/nota het Postbankrekeningnummer [001] t.n.v. [A] en het adres Postbus [005], [0000 BB] [plaats] vermeld en

- op voornoemde factuur/nota vermeld dat deze is behandeld door [betrokkene 1] en

- voornoemde factuur/nota ondertekend als zijnde [betrokkene 2] en

- op de factuur/nota d.d. 19 februari 2005 vermeld dat er een bedrag van 72.000,- euro als bijdrage aan een viertal verzorgings- en/of verpleegtehuizen dient te worden betaald, en

- op voornoemde factuur/nota het Postbankrekeningnummer [001] t.n.v. [A] vermeld en

- op voornoemde factuur/nota vermeld dat deze is behandeld door [betrokkene 1] en

- voornoemde factuur/nota opgesteld als zijnde [betrokkene 2] en

- op de factuur/nota d.d. 19 januari 2005 het briefhoofd en logo van Stichting [A] (nader te noemen Stichting [A]) en [B] aangebracht/vermeld, en

- op voornoemde factuur/nota vermeld dat er 40.000,- euro betaald dient te worden voor een overeenkomst betreffende een aantal projecten en dat er 8.195,- euro dient te worden betaald voor de inbreng wachtlijstgelden in voornoemde projecten, en

- op voornoemde factuur/nota vermeld dat Stichting [A] deel uitmaakt van [B] en

- op voornoemde factuur/nota het Postbankrekeningnummer [001] t.n.v. [A] en het niet bestaande Kamer van Koophandelnummer [002] en het adres Postbus [004], [0000 AA plaats] vermeld en

- op de factuur/nota d.d. 21 oktober 2005 met kenmerk [007] het briefhoofd en logo van Stichting [A] (nader te noemen Stichting [A]) en [B] aangebracht/vermeld, en

- op voornoemde factuur/nota vermeld dat de nota d.d. 19 januari 2005 ter hoogte van 48.195,- euro gecrediteerd en verrekend dient te worden met de nog te volgen factuur/nota van 2006 en

- op voornoemde factuur/nota vermeld dat Stichting [A] deel uitmaakt van [B] en

- op voornoemde factuur/nota het Postbankrekeningnummer [001] t.n.v. [A] en het niet bestaande Kamer van Koophandelnummer [002] en het adres Postbus [004], [0000 AA plaats] vermeld en

- op de factuur/nota d.d. 21 oktober 2005 met kenmerk [006] het briefhoofd en logo van Stichting [A] (nader te noemen Stichting [A]) en [B] aangebracht/vermeld, en

- op voornoemde factuur/nota vermeld dat er 8.195,- euro betaald dient te worden voor de inbreng wachtlijstgelden, en

- op voornoemde factuur/nota vermeld dat Stichting [A] deel uitmaakt van [B] en

- op voornoemde factuur/nota het Postbankrekeningnummer [001] t.n.v. [A] en het niet bestaande Kamer van Koophandelnummer [002] en het adres Postbus [004], [0000 AA plaats] vermeld en

- op de factuur/nota d.d. 2 januari 2006 met kenmerk [008] het briefhoofd en logo van Stichting [A] (nader te noemen Stichting [A]) en [B] aangebracht/vermeld, en

- op voornoemde factuur/nota vermeld dat er 72.000,- euro als bijdrage aan een viertal verzorgings- en/of verpleegtehuizen dient te worden betaald, en

- op voornoemde factuur/nota vermeld dat het bedrag van 72.000,- euro onder aftrek van de creditnota met kenmerk [009] betaald kan worden en

- op voornoemde factuur/nota vermeld dat Stichting [A] deel uitmaakt van [B] en

- op voornoemde factuur/nota het Postbankrekeningnummer [001] t.n.v. [A] en het niet bestaande Kamer van Koophandelnummer [002] en het adres Postbus [004], [0000 AA plaats] vermeld en

- op de factuur/nota d.d. 15 januari 2006 het briefhoofd en logo van Stichting [A] (nader te noemen Stichting [A]) en [B] aangebracht/vermeld, en

- op voornoemde factuur/nota vermeld dat er 48.000,- euro betaald dient te worden voor een overeenkomst betreffende een aantal projecten, en

- op voornoemde factuur/nota vermeld dat Stichting [A] deel uitmaakt van [B] en

- op voornoemde factuur/nota het Postbankrekeningnummer [001] t.n.v. [A] en het niet bestaande Kamer van Koophandelnummer [002] en het adres Postbus [004], [0000 AA plaats] vermeld,

zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en vervolgens telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van voornoemde geschriften door voornoemde valse geschriften - als waren deze geschriften echt en onvervalst - bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte voornoemde facturen/nota's heeft doen toekomen aan Stichting [C] en voornoemde facturen/nota's middels een paraaf heeft getekend teneinde die facturen/nota's goed te keuren voor betaling en vervolgens voornoemde facturen/nota's ter beschikking heeft gesteld van de financiële administratie om die betaling uit te laten voeren;

2. hij op 27 december 2004 te Heerenveen, in de gemeente Heerenveen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, een aantal medewerkers van Stichting [C] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (te weten 18.481,- euro), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid een email aan een aantal medewerkers van de financiële administratie van die Stichting [C] verstuurd, inhoudende onder meer de tekst - zakelijk weergegeven - dat hij, verdachte is gebeld door een medewerker van het zorgkantoor en dat die medewerker van het zorgkantoor heeft verzocht een nog openstaande schuld ter hoogte van 18.481,- euro te storten/over te maken en dat voornoemde storting in verband met de administratie dit jaar nog dient plaats te vinden en dat er nog een officiële brief van het zorgkantoor komt en dat hij, verdachte, een spoedbetaling kan maken, waardoor die medewerkers van Stichting [C] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte."

2.2. De bewijsmiddelen waarop deze bewezenverklaring steunt zijn door het Hof als volgt weergegeven:

"1.1. Een door [verbalisant 1], brigadier van de regiopolitie Fryslân, op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 7 april 2006, opgenomen in bijlage A1 (de pagina's 30 t/m 36) van een dossier van de regiopolitie Fryslân van 12 september 2006 met het kenmerk 2006029681, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als aangifte door [betrokkene 3]:

In de periode van 19 januari 2004 tot en met 16 februari 2006 zijn frauduleuze handelingen gepleegd ten nadele van de Stichting [C].

[Verdachte] was in die periode als manager van de financiële administratie werkzaam voor deze Stichting en was als zodanig verantwoordelijk voor de juiste afhandeling van de facturen.

De reguliere, vastgelegde procedure is dat een ingekomen factuur als poststuk wordt ingeboekt en gestempeld, met datum van ontvangst, op de financiële administratie. Daarna gaat de factuur ter verificatie naar de betreffende budgethouder. Schriftelijk is vastgelegd dat een beperkt aantal functionarissen budgethouder is. Alleen zij mogen facturen ter goedkeuring paraferen. [Verdachte] was niet bevoegd facturen van andere budgethouders middels een paraaf te accorderen. Na aftekening door de budgethouder gaat de factuur terug naar de financiële administratie, waar de factuur gereed gemaakt wordt voor betaling. De betaling wordt vervolgens door anderen uitgevoerd.

Uit een onderzoek naar een factuur (met het kenmerk) [008] van 2 januari 2006 ten bedrage van € 72.000,-, op briefpapier van de Stichting [A], bleek het volgende.

Volgens de gegevens op deze factuur zou het correspondentie-adres van deze stichting zijn: Postbus [004], [0000 AA], [plaats].

Als Kamer van Koophandel-nummer stond aangegeven het nummer [002] en als bankrelatie van [A] was aangegeven: Postbank nummer [001], ten name van [A]. Volgens het briefhoofd zou [A] deel uitmaken van [B]. Deze factuur was door [verdachte] voor accoord voor betaalbaarstelling geparafeerd.

Na contact met [B] bleek dat men daar niet bekend was met [A] of met de aan ons gefactureerde diensten. Namens [D] was geen factuur naar [C] gezonden. Daarna bleek het Kamer van Koophandel-nummer (het hof begrijpt: het op de factuur in kwestie vermelde Kamer van Koophandel-nummer) geheel onbekend te zijn bij de Kamer van Koophandel.

Na verder onderzoek bleek dat er over meerdere boekjaren acht soortgelijke facturen van de Stichting [A] aan [C] waren verzonden en middels een goedkeuringsparaaf betaalbaar zijn gesteld door [verdachte] en zijn betaald aan het op de facturen vermelde rekeningnummer. [Verdachte] ondertekende deze facturen op de plaats waar normaliter de budgethouder parafeert, ten teken van akkoord van de factuur tot betaalbaarstelling.

Voorts is er sprake van een mailbericht waarin een nota was opgenomen. Via deze mail werd aan de medewerkers (het hof begrijpt: medewerkers van de Stichting [C]) verzocht de betaling met spoed te verrichten, onder de toezegging dat de factuur later wel zou volgen.

Volgens onze huisaccountant [E], aan wie opdracht is gegeven tot nader onderzoek, zijn op deze facturen werkzaamheden of diensten of materialen in rekening gebracht die in het geheel niet zijn geleverd. In totaal is in de periode van 19 januari 2004 tot en met 16 februari 2006 een bedrag van € 275.176,- vanaf rekeningen van [C] overgemaakt naar het rekeningnummer [001] van [A].

Ten behoeve van uw onderzoek zal ik u een overzicht van facturen ter beschikking stellen.

Wij hebben contact gezocht met de echte stichting [A], welke in [vestigingsplaats] is gevestigd. We hebben een origineel exemplaar van de bij die stichting in gebruik zijnde brief c.q. factuur ontvangen. Te zien is dat in deze originele factuur andere adresgegevens zijn vermeld dan in de facturen van [A] die in onze administratie zijn aangetroffen. Van de originele factuur zijn bepaalde gegevens weggehaald en zijn andere gegevens, namelijk de adres- en bankgegevens, toegevoegd.

De door [C] ontvangen facturen (het hof begrijpt: de van [A] ontvangen facturen) zijn derhalve vervalst en/of valselijk opgemaakt. Deze facturen dienden om aan [C] een dienst of goed te factureren.

1.2. Een door [verbalisant 1] voornoemd op ambtsbelofte opgemaakt (hoofd)proces-verbaal van 12 september 2006, opgenomen in de pagina's 2 t/m 29a van het onder 1.1 genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relatering van de verbalisant, opgenomen in paragraaf 4.3 van bedoeld (hoofd)proces-verbaal:

Van de Stichting [C] (het hof begrijpt: Stichting [C]) werden verkregen de facturen ten aanzien waarvan

gefraudeerd was.

1.3. Een achttal schriftelijke stukken, houdende een afschrift van de facturen zoals hierboven onder bewijsmiddel 1.2 bedoeld, te weten:

- een factuur van 19 januari 2004, opgenomen in bijlage K1-2 (pagina 270) van het hiervoor onder 1.1 genoemde dossier;

- een factuur van 19 februari 2004, opgenomen in bijlage K2-2 (pagina 281) van het hiervoor onder 1.1 genoemde dossier;

- een factuur van 19 februari 2005, opgenomen in bijlage K4-2 (pagina 305) van het hiervoor onder 1.1 genoemde dossier;

- een factuur van 19 januari 2005, opgenomen in bijlage K5-2 (pagina 316) van het hiervoor onder 1.1 genoemde dossier;

- een factuur van 21 oktober 2005, opgenomen in bijlage K6-5 (pagina 335) van het hiervoor onder 1.1 genoemde dossier;

- een factuur van 21 oktober 2005, opgenomen in bijlage K6-5 (pagina 336) van het hiervoor onder 1.1 genoemde dossier;

- een factuur van 2 januari 2006, opgenomen in bijlage K6-5 (pagina 337) van het hiervoor onder 1.1 genoemde dossier;

- een factuur van 15 januari 2006, opgenomen in bijlage K7-2 (pagina 352) van het hiervoor onder 1.1 genoemde dossier,

telkens houdende een door de Stichting [A] of het [B] aan de Stichting [C], ter attentie van [verdachte] gerichte rekening.

1.4. Een schriftelijk stuk, houdende een afdruk van een e-mailbericht van 27 december 2004, van [verdachte] aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4], opgenomen in bijlage K3-2 (pagina 293) van het onder 1.1 genoemde dossier.

1.5. Een door [verbalisant 2], medewerker van het Bureau Digitale Expertise Noord Nederland, op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 26 juni 2006, opgenomen in bijlage 1 (de pagina's 231 t/m 237) van het onder 1.1 genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relatering van de verbalisant:

Op 12 april 2006 bezocht ik [C] (het hof begrijpt: Stichting [C]) in [plaats], waaronder het kantoor waar [verdachte] werkzaam was geweest.

Uit een gesprek met de systeembeheerder van [C] bleek dat [verdachte] op zijn werkplek de beschikking had over een computersysteem dat was aangesloten op het interne netwerk van [C]. De systeembeheerder heeft mij de delen van de opslagcapaciteit van de centrale server van het netwerk getoond waartoe [verdachte] - gebruik makend van diens gebruikersnaam "[alias verdachte]" - als enige toegang had.

De toegekende rechten zijn door mij gecontroleerd. Daarbij is mij gebleken dat inderdaad alleen de gebruiker "[alias verdachte]" hier toegang toe had. Dit houdt in dat alleen die gebruiker de bestanden aldaar kon maken, wijzigen en/of verwijderen. Vervolgens zijn die delen gekopieerd en op een dvd gebrand.

Voorts bleek dat door de systeembeheerder maandelijks een back-up van diverse gegevens werd gemaakt, waarin ook het deel van de opslagcapaciteit was begrepen dat alleen door de gebruiker "[alias verdachte]" te gebruiken was. De systeembeheerder heeft als enige toegang tot deze back-ups.

Afgesproken werd dat de systeembeheerder deze delen van de beschikbare back-ups op dvd zou zetten en aan mij zou doen toekomen. Tenslotte stelde de systeembeheerder mij de door [verdachte] gebruikte computer ter beschikking.

Voorts bleek dat door medewerkers van [E] op of omstreeks 21 maart 2006 een back-up van deze computer was gemaakt. Collega [verbalisant 1] zou er voor zorgen dat deze veiliggestelde gegevens aan mij ter beschikking gesteld zouden worden.

De op de harde schijf van de aan mij ter beschikking gestelde computer aanwezige gegevens werden gekopieerd en vastgelegd op een dvd.

Met behulp van de van de systeembeheerder ontvangen dvd's en de via collega [verbalisant 1] ontvangen bestanden, alsmede de door mij veiliggestelde bestanden heb ik een nader onderzoek ingesteld, aan de hand van enkele zoekwoorden die door collega [verbalisant 1] waren opgegeven, welke zoekwoorden een relatie hadden tot de frauduleuze facturen.

Naar aanleiding van de zoekopdrachten werd door mij een zevental relevante, unieke bestanden aangetroffen. Deze zijn door mij geprint en ter beschikking van collega [verbalisant 1] gesteld.

Als bijlagen gaan bij dit proces-verbaal: de afgedrukte relevante bestanden.

1.6. Een vijftal schriftelijke stukken, houdende (een aantal van) de hierboven in bewijsmiddel 1.5 bedoelde afdrukken van bestanden, opgenomen in bijlage I, pagina's 242, 243, 248, 250, 251 en 255 van het onder 1.1 genoemde dossier.

1.7. Een door [verbalisant 1] voornoemd op ambtsbelofte opgemaakt (hoofd)proces-verbaal van 12 september 2006, opgenomen op de pagina's 2 t/m 29a van het onder 1.1 genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relatering van de verbalisant, opgenomen in paragraaf 4.3.2 van bedoeld (hoofd)proces-verbaal:

De Postbank N.V. leverde identificerende en historische gegevens met betrekking tot het rekeningnummer [001]. Volgens de administratie van de Postbank was girorekening [001] ten name gesteld van [A], Postbus [010] te [plaats] en was het vestigingsadres van [A]: [a-straat 1] te [vestigingsplaats]. [A] zou volgens opgave bij de Postbank de rechtsvorm van vereniging hebben. Als vertegenwoordiger van deze vereniging was opgegeven: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1961.

Op het adres [a-straat 1] te [vestigingsplaats] is echter gevestigd de Stichting [F], een zorgcentrum waar [verdachte] werkzaam was vóór zijn indiensttreding bij [C].

Het correspondentie-adres Postbus [010] te [plaats] van [A], welke postbus op 21 januari 2003 is geopend, is volgens informatie van TPG Post te Zoetermeer in gebruik bij [verdachte], wonende te [woonplaats], [b-straat 1].

De Postbank N.V. leverde uit een afschrift van het aanvraagformulier ter verkrijging van een rekening bij de Postbank (het hof begrijpt: welke aanvraag heeft geresulteerd in verkrijging van het rekeningnummer [001]).

Uit dit formulier blijkt dat de rekening op 20 oktober 2000 is geopend door [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1961, wonende te [plaats], [b-straat 1], en dat [verdachte] op dit formulier aangaf dat hij eerste vertegenwoordiger was van [A] te [vestigingsplaats] en dat [verdachte] zich legitimeerde met de Europese identiteitskaart met het nummer [011].

Uit informatie uit de gemeentelijke basisadministratie van 15 april 2006 blijkt dat [verdachte] in de periode van 15 juli 1995 tot 4 april 2005 woonachtig was op het adres [b-straat 1] te [woonplaats]. Uit deze GBA-gegevens bleek voorts dat aan [verdachte] op 18 juli 2005 (het hof begrijpt uit bijlage F7, pagina 218 van het onder 1.1 bedoelde dossier: 18 juli 2000) een Europese identiteitskaart was afgegeven met het nummer [011].

als relatering van de verbalisant, opgenomen in paragraaf 4.3.5 van bedoeld (hoofd)proces-verbaal:

Bij de Stichting [C] te [plaats], de voormalige werkplek van [verdachte], werd een onderzoek ingesteld in de geautomatiseerde bestanden waartoe [verdachte] in de tijd dat hij daar werkzaam was toegang had en met welke bestanden hij kon werken. Door collega [verbalisant 2] werden bestanden in beslag genomen en onderzocht (het hof begrijpt: bestanden als hierboven onder bewijsmiddel 1.5 bedoeld).

[verbalisant 2] trof documenten en bestanden aan die slechts door [verdachte] alleen gemaakt konden zijn en die betrekking hebben op de fraude.

Zo werden onder meer aangetroffen:

- blanco sjablonen van de valse factuur ten name van [A] (het hof begrijpt dat hiermee bedoeld is uit te drukken dat is aangetroffen (een) bestand(en)/document(en), houdende blanco sjablonen van de valse factuur van [A]);

- het logo van [A]; (het hof begrijpt dat hiermee bedoeld is uit te drukken dat is aangetroffen een bestand/document, houdende het logo van [A]);

- de valse factuur als genoemd in fraude dossier K1(het hof begrijpt dat hiermee bedoeld is uit te drukken dat is aangetroffen (een) bestand(en)/document(en) die tezamen het digitale equivalent zijn van de factuur van 19 januari 2004, opgenomen in bijlage K1-2 (pagina 270) van het onder l.l genoemde dossier;

- de valse factuur, groot € 48.195,-, van 19 januari 2005, voorkomende in fraude dossier K5 (het hof begrijpt dat hiermee bedoeld is uit te drukken dat is aangetroffen (een) bestand(en)/document(en) die tezamen het digitale equivalent zijn van de factuur van 19 januari 2005, opgenomen in bijlage K5-2 (pagina 316) van het onder 1.1 genoemde dossier;

als relatering van de verbalisant, opgenomen in paragraaf 4.3.7 van bedoeld (hoofd)proces-verbaal:

De Stichting [A], gevestigd aan de [c-straat 1] te [vestigingsplaats] maakt gebruik van voorbedrukte brieven, waarbij op het briefhoofd het logo van [A] en gegevens als adres, telefoonnummers en rekeningnummers zijn weergegeven. Een exemplaar hiervan is opgenomen in bijlage J.

1.8. Een schriftelijk stuk, houdende het door verbalisant [verbalisant 1] in paragraaf 4.3.7 van het (hoofd)proces-verbaal bedoelde exemplaar van bij de [A] te [vestigingsplaats] in gebruik zijnde brief, opgenomen in bijlage J, pagina 261 van het onder 1.1 genoemde dossier.

1.9. Een door [verbalisant 1] voornoemd op ambtsbelofte opgemaakt (hoofd)proces-verbaal van 12 september 2006, opgenomen in de pagina's 2 t/m 29a van het onder 1.1 genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relatering van de verbalisant, opgenomen in paragraaf 4.3.10 van bedoeld (hoofd)proces-verbaal:

De factuur van 19 februari 2004 ten bedrage van € 40.000,- is naar het lijkt ondertekend door [betrokkene 2], accountmanager van [B]. De aanduiding "behandeld door [betrokkene 1]" doet vermoeden dat deze (persoon) de brief c.q. factuur heeft behandeld.

Deze factuur werd echter niet door [betrokkene 2], die [betrokkene 6] bleek te heten, of [betrokkene 1] namens hun werkgever Zorgkantoor [B] opgemaakt.

Uit het onderzoek van de afdeling Digitale Recherche van de politie Groningen is gebleken dat deze brief/factuur in de persoonlijke computer van [verdachte] werd aangetroffen, zodat duidelijk is dat [verdachte] deze brief valselijk heeft opgesteld.

De factuur van 27 december 2004 betreft een mailbericht van [verdachte] aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4], beiden werkzaam op de financiële administratie van [C] om op verzoek van [betrokkene 5] van het [B] het bedrag van € 18.481,- te betalen, met als omschrijving: project [F]. Dit was geen ongebruikelijke betaalopdracht, aangezien het project [F] een bestaand project was, waarvoor [betrokkene 5] bij het [B] de contactpersoon was.

Door de Stichting [C] werd het bedrag van € 18.481,- middels telebankieren betaald.

Op het rekeningafschrift van de RABO bankrekening [012] van Stichting [C] is te zien dat op 27 december 2004 het bedrag van € 18.481,- werd overgeschreven naar rekeningnummer Postbank [001], onder vermelding van "[A] Spoedopdracht Bijdrag AZRIII brief zorgkantoor".

Het bedrag van € 18.481,- werd volgens een rekeningafschrift van Postbank rekening [001] van [A]/[verdachte] op 27 december 2004 op deze rekening bij geboekt. De overschrijving werd volgens het afschrift gedaan vanaf het rekeningnummer [012] van Stichting [C] te [plaats].

1.10. Een tweetal schriftelijke stukken, houdende het door verbalisant [verbalisant 1] in paragraaf 4.3.10 van het (hoofd)proces-verbaal bedoelde rekeningafschrift van de Postbank en rekeningafschrift van de Rabobank, opgenomen in de bijlage K3-5 en K3-6, pagina's 296 en 297 van het onder 1.1 bedoelde dossier."

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel klaagt over de bewijsvoering.

4.2. Nu het bestreden arrest van een aantal gebezigde bewijsmiddelen niet de inhoud behelst en zonder deze inhoud de bewezenverklaring van het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde niet uit de overige gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, is niet voldaan aan art. 359, derde lid, Sv op grond waarvan de beslissing dat het tenlastegelegde door de verdachte is begaan moet steunen op de inhoud van de in de uitspraak opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

4.3. Het middel is gegrond.

5. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 23 november 2010.