Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BN9203

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
09/01587
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BN9203
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gegronde bewijsklacht. ’s-Hofs overweging dat verdachte heeft erkend dat 50% van de gepinde bedragen in de tenlastegelegde periode door hem niet zijn aangewend voor de verpleging van s.o. en voor andere met haar instemming verrichte uitgaven is gelet op hetgeen verdachte t.t.z. in h.b. heeft verklaard, niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1427
NJB 2010, 2307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 november 2010

Strafkamer

nr. 09/01587

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 april 2009, nummer 22/001086-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats].

Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van het onder 1 eerste alternatief tenlastegelegde - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het betreft de beslissingen over het onder 1 tweede alternatief tenlastegelegde feit en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 1 tweede alternatief tenlastegelegde feit onvoldoende met redenen is omkleed.

2.2.1. Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat:

"Hij op een of meer tijdstip(pen) in en/of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 15 februari 2007 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk een of meer (groot/grote) geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 106.051 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 1918), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als verpleegkundige/verzorger, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in en/of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 15 februari 2007 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer (groot/grote) geldbedag(en) (van in totaal ongeveer 106.051 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en welk(e) goed(eren) verdachte."

2.2. Daarvan is bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 15 februari 2007 te 's-Gravenhage, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geldbedragen toebehorende aan [slachtoffer]."

2.3.1. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Van een bedrag van 106051 euro dat gepind is van rekeningnummer [001] weet ik 50% niet te verklaren. Ik had de pincode van de giro en de pas."

2. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik ben belastingadviseur van [slachtoffer]. Uit dien hoofde ben ik gemachtigd tot het doen van aangifte. Via een particulier bureau voor thuiszorg is [verdachte] twee en een half jaar geleden ingehuurd voor het verlenen van zorg. Na verloop van tijd is [verdachte] rechtstreeks met [slachtoffer] overeengekomen de zorg te verrichten en andere verpleegkundigen in te zetten. [Verdachte] diende overeenkomstig de afspraak met [slachtoffer] rekening en verantwoording af te leggen aan mij ter zake van de uitgaven. De Postbankrekening afschriften met nummer [001] zijn zoekgeraakt."

3. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Volgens mijn berekeningen is er in de periode van 1 januari 2006 tot en met februari 2007 meer dan 300.000 euro uitgegeven. In dit bedrag zitten pinopnames van [verdachte], salarisbetalingen, overboekingen naar [verdachte] en boodschappen, benzine en dergelijke."

4. een rapport van [betrokkene 2], verbonden aan het Bureau Ontnemingswetgeving OM, voor zover inhoudende:

"Het totale niet verklaarbare bedrag aan opnamen door [verdachte] en overboekingen naar de rekening van [verdachte] over de periode 1 januari 2006 tot en met 15 februari 2007 wordt geschat op € 106.051,--."

2.3.2 Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Bewijsoverweging

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de aanschaf van zijn cocaïne en heroïne betaalde van het salaris dat hij kreeg van [slachtoffer]. Het hof acht deze verklaring onaannemelijk gelet op het feit dat de verdachte oplopend van 30 euro in het begin naar 100 euro per dag aan genoemde middelen aanschafte. De pinopnamen door de verdachte staan in geen verhouding tot de door de verdachte ten behoeve van [slachtoffer] gemaakte kosten van verpleging en andere kosten die met haar instemming zijn gemaakt en vergoed. De verdachte erkent dat 50% van de gepinde bedragen van rekeningnummer [001] in de ten laste gelegde periode door hem daartoe niet zijn aangewend. De stelling van de verdachte dat die 50% door een ander dan door hem zijn gepind, acht het hof niet aannemelijk geworden."

en

"Nadere overweging

Volgens het rapport BOOM, gedateerd 24 september 2007, opgemaakt door [betrokkene 2] (pag. 3) is in de tenlastegelegde periode van rekening [001] een bedrag van € 111.590,-- gepind bij geldautomaten en € 5.976,63 bij de detailhandel. Het door verdachte in bewijsmiddel 1 genoemde bedrag correspondeert met het volgens het BOOM-rapport niet verklaarbaar bedrag aan opnamen en overboekingen (€ 106.051,--). Het hof acht, mede op grond van de verklaring van de verdachte een lager bedrag als verkregen door diefstal bewezen, te weten ongeveer 50% van dat bedrag."

2.4. Ter terechtzitting in hoger beroep van 2 april 2009 houdt als verklaring van de verdachte het volgende in:

"Ik heb de aanschaf van de cocaïne en heroïne die ik gebruikte betaald van het salaris dat ik kreeg van [slachtoffer]. Van een bedrag van 106000 euro dat gepind is van rekeningnummer [001] weet ik 50% niet te verklaren. Misschien heeft iemand anders dat van de rekening opgenomen. Ik heb in het verleden drugs gebruikt. In 2006 had ik een terugval. Ik werkte 100 uur per week en dat werd te zwaar. Ik ging toen cocaïne en later heroïne gebruiken. 1/2 gram tot 1 gram per dag dat was 30 euro per dag. Ik kocht groot in bij een dealer. De laatste vier maanden was het gebruik 100 euro per dag. Ik had zelf geld en verdiende goed. Ik had 8500 euro op de bank en 4500 euro vergoeding van een andere strafzaak. De huur van mijn huis bedroeg 300 euro per maand en eten deed ik bij [slachtoffer]. Ik ben in 2004 bij haar begonnen. Eerst via een thuiszorgbureau, maar mijn verleden kwam uit en ik moest weg. Ik heb toen bij [slachtoffer] gezegd dat ik niet meer kwam en toen wilde ze dat ik bij haar kwam werken. Eerst 4 uur per dag, maar ze wilde meer. Later in maart 2005 heeft ze haar heup gebroken en had ze 24 uur zorg nodig. Ik had regelmatig contact met de accountant [betrokkene 1]. Er werden ook meer verzorgers aangenomen en toen was er meer geld nodig voor extra verzorging. [Betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6] waren de andere verzorgers. Ik betaalde de salarissen uit. Ik had de pincode van de giro en de pas.

[Betrokkene 5] verdiende op een gegeven moment 3600 euro per maand. Hij werkte meestal 's-nachts. Er is 209.730 euro opgenomen van de rekening van [slachtoffer] allemaal zorgkosten, een groot deel cash en een deel naar mijn eigen rekening. Ik heb eerst eigen geld gebruikt voor uitbetalingen, want de bijdrage van [slachtoffer] kwam pas na 4 maanden. Ik heb de uitbetalingen bijgehouden, maar de papieren zijn gestolen in oktober 2006. Ik raakte daarna overspannen en heb het niet meer goed bijgehouden. [Slachtoffer] wilde ook bonussen geven voor de verzorging met kerst. Dat was dan vier keer 500 euro. Ik heb ook 1500 euro aan [betrokkene 3] uitbetaald voor een vakantie. De camper is aangeschaft voor [slachtoffer], want ze wilde eruit. Ik ben twee keer meegeweest.

Auto's werden op mijn naam gezet, want [slachtoffer] kon niet naar postkantoor. Ik heb meer auto's gekocht. Een auto voor [betrokkene 3]. [Betrokkene 3] was bezig met haar rijbewijs. [Slachtoffer] wilde dat de verzorgers een soort gezin vormden. Ik had nog een vordering op [betrokkene 1]. Ik heb een schikking met hem getroffen voor een bedrag van 25.000 euro. Ik heb voor akkoord getekend en de brief teruggestuurd."

2.5. Dat, zoals het Hof heeft overwogen, de verdachte heeft erkend dat 50% van de gepinde bedragen van rekeningnummer [001] in de tenlastegelegde periode door hem niet zijn aangewend voor de verpleging van [slachtoffer] en voor andere met haar instemming verrichte uitgaven is, gelet op hetgeen de verdachte in hoger beroep heeft verklaard, niet begrijpelijk. Dat brengt mee dat de bewezenverklaring van het onder 1 tweede alternatief tenlastegelegde onvoldoende met redenen is omkleed.

2.6. Het middel slaagt.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak voor zover aan zijn oordeel onderworpen, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tweede alternatief tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 23 november 2010.