Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BN9187

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
09/00502
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BN9187
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Gegronde bewijsklacht. 2. Art. 359a1.b. 2 Sv. Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van spiegelconfrontaties. Ad 1. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte verkeersborden onder zijn bereik heeft gebracht “door middel van verbreking”. Ad 2. Nu het Hof de resultaten van de spiegelconfrontaties tot het bewijs heeft gebezigd, had het Hof de vraag moeten beantwoorden of sprake was van de beweerdelijke verzuimen en zo ja of daaraan bewijsuitsluiting diende te worden verbonden. De kennelijke opvatting van het Hof, dat een dergelijke beantwoording achterwege kan blijven als het bewijsmiddel waarvan de rechtmatigheid wordt aangevochten, niet het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van verdachte bij het hem verweten feit “naar voren komt” , is onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010/641
RvdW 2010/1421
NJB 2010, 2308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 november 2010

Strafkamer

Nr. 09/00502

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 februari 2009, nummer 23/006619-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van de onder 3 en 5 tenlastegelegde feiten en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het vierde middel

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 3, voor zover behelzende dat de verdachte de verkeersborden onder zijn bereik heeft gebracht "door middel van verbreking", niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.2.1. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 6 oktober 2006 tot en met 12 oktober 2006 in Nederland met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen verkeersborden, toebehorende aan anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking."

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [aangever]:

"Ik ben schadecoördinator van Provincie Noord-Holland en doe aangifte van diefstal van verkeersborden. Deze stonden op de Oosterhuizerweg ter hoogte van hectometerpaal 5.7 in de gemeente Beemster. Deze borden zijn tussen 6 oktober 2006 en 12 oktober 2006 ontvreemd."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"Ik weet dat [verdachte] (het hof begrijpt telkens:

[verdachte]) meerdere strafbare feiten heeft gepleegd. Hij vertelde mij deze dingen. Met betrekking tot diefstal van verkeersborden: hij ging dan 's nachts op pad. Ik heb meerdere malen gezien dat hij verkeersborden in zijn auto had liggen. Deze borden leverde hij dan ergens in. Hij ging elke nacht op pad. Wij verbleven vanaf ongeveer juli 2006 tot en met half november 2006 op een camping in Egmond. Als wij ergens reden wees hij mij meerdere malen plaatsen aan waar hij de borden had weggenomen. Tevens stonden er berichten in de krant, er is een stuk op televisie over bordendiefstal geweest. Hij beaamde dit dan ook dat hij daar schuldig aan was.

Ik weet dat wij (het hof begrijpt: [getuige 1] en [verdachte]) een keer in een bed & breakfast in Midden Beemster (het hof begrijpt: in de gemeente Beemster) hebben overnacht. [Verdachte] ging 's nachts op pad om verkeersborden te stelen. Hij reed toen in een rood klein autootje. Volgens mij was dit een Daihatsu. Op een gegeven moment kwam hij 's morgens vroeg terug en zei hij dat we weg moesten omdat de krantenbezorger hem had herkend. Hij reed toen met de verkeersborden achterin en was vergeten het kleed over de borden heen te leggen."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2]:

"In verband met de diefstal van verkeersborden kan ik u het volgende verklaren. In de nacht van 11 op 12 oktober omstreeks 04.00 uur was ik bezig met het bezorgen van kranten. Ik reed op de Purmerenderweg te Zuidoostbeemster (het hof begrijpt: in de gemeente Beemster) en zag een rode Daihatsu. Ik zag iemand achter het stuur. Ik zag een glimp van verkeersborden achterin deze auto. Op dat moment besteedde ik daar verder geen aandacht aan. Ik zag even later dezelfde auto toen weer staan langs de Purmerenderweg. Dezelfde man die achter het stuur had gezeten, stond nu bij de auto. Ik zag dat er inmiddels een kleed over de verkeersborden lag. Op 14 oktober 2006, omstreeks 05.50 uur zag ik dezelfde rode Daihatsu weer rijden. Dezelfde man zat als bestuurder in de auto. Ik zag dat de man weer verkeersborden op de achterbank had. Ik noteerde het kenteken: [AA-00-BB]. Ik zag dat er zeker tien verkeersborden achterin zijn auto lagen."

3.3. Aangezien deze bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte de verkeersborden onder zijn bereik heeft gebracht "door middel van verbreking" niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.4. Het middel slaagt.

4. Beoordeling van het vijfde middel

4.1. Het middel klaagt over de verwerping van een door de verdediging ten aanzien van feit 5 gevoerd verweer strekkende tot bewijsuitsluiting.

4.2.1. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 5 bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen gelegen in de periode van 20 november 2006 tot en met 14 maart 2007 te Amsterdam telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - bedrieglijk en valselijk en listiglijk in strijd met de waarheid

- de naam [alias 1 verdachte] en/of [alias 2 verdachte], als zijn, verdachtes, naam genoemd en/of

- zich voorgedaan als een makelaar en

- die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] en die [slachtoffer 6] gezegd dat hij woonruimte zou kunnen regelen en

- die [slachtoffer 1] gezegd dat zij een inschrijfformulier moest invullen, waardoor die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] en die [slachtoffer 6] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte."

4.2.2. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 1 april 2007 confronteerde ik middels de zogenaamde confrontatiespiegel, de aangever [slachtoffer 1] met de verdachte genaamd [verdachte], waarna de aangever het volgende verklaarde: "Ja, hij had toen wel andere kleding aan, maar verder is het hem wel."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 1 april 2007 confronteerde ik middels de zogenaamde confrontatiespiegel, de aangever [slachtoffer 4] met de verdachte, genaamd [verdachte], waarna de aangever het volgende verklaarde: "Ja, ik herken de man voor honderd procent. Ik heb met hem afgesproken en heb hem € 45,- betaald. Ik herken hem overal aan. Er is geen twijfel mogelijk. Hij heeft mij opgelicht."

4.3.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2009 heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden het volgende in:

"Confrontatie

De verbalisanten hebben meerdere aangevers met cliënt geconfronteerd door middel van een eenzijdige spiegelconfrontatie. Cliënt is de enige persoon geweest welke aan de aangevers tijdens die confrontatie is getoond.

Volgens de handleiding confrontatie waarmee ik uw hof en het openbaar ministerie bekend vertrouw mag een dergelijke confrontatie niet op een dergelijke wijze plaatsvinden.

Wanneer we te maken hebben met een bewijsconfrontatie mag dit alleen gebeuren door een deskundige politieambtenaar die is aangewezen door de korpsbeheerder of door militairen van de Koninklijke marechaussee die zijn aangewezen voor hun werkgever.

Met betrekking tot onderhavige confrontaties blijkt niet dat zulks het geval is geweest. De verdediging is dan ook van mening dat het ervoor gehouden moet worden dat de betreffende ambtenaren die bevoegdheid niet toekwam en zij überhaupt niet een dergelijke foto- c.q. spiegelconfrontatie hadden mogen initiëren.

De onbevoegdheid van de verbalisanten blijkt mijns inziens ook uit het feit dat de confrontaties niet op een juiste wijze zijn afgenomen.

Zoals onder 4.3 van de richtlijnen is opgenomen is sprake van beïnvloeding van de getuige indien deze uitsluitend met één confrontatiesubject wordt geconfronteerd. Een keuze uit meerdere personen is dan immers niet mogelijk.

Vele getuigen zullen aangeven dat de getoonde persoon degene is die moet worden herkend.

De getuigen denken dat de politie niet voor niets zal vragen of de persoon op de foto of achter de spiegel herkend wordt en zij zullen dit beamen.

De schending van de richtlijnen van de confrontatie zijn onomkeerbaar en leveren een dusdanige schending van artikel 359a Sv op dat deze bijdraagt aan het verzoek aan uw hof deze confrontaties uit te sluiten van bewijs. Ook de verklaring van cliënt welke is afgelegd op basis van deze herkenningen moet mijns inziens worden uitgesloten van bewijs de verklaring is een fruit from the poisonous tree.

Gelet op het voorgaande zal uw hof mijns inziens moeten komen tot een vrijspraak door dit ten laste gelegde feit.

Ter onderbouwing van dit standpunt verwijs ik naar een arrest van de Hoge Raad van 3 april 2007 (LJN: ZA9395), Hoge Raad 16 augustus 2005 (LJN: AT6058) en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 april 2006. In al deze procedures besloot de gerechtelijke instantie telkens tot bewijsuitsluiting.

(...)

Ik verzoek uw hof primair cliënt vrij te spreken gelet op de door mij bepleitte vrijspraak met betrekking tot de onjuist uitgevoerde confrontaties."

4.3.2. Het Hof heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld, dat de resultaten van de enkelvoudige spiegelconfrontaties niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Het hof verwerpt dit standpunt, reeds omdat deze spiegelconfrontaties niet het enige bewijs is waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij de hem verweten strafbare feiten naar voren komt."

4.4. Hetgeen de raadsvrouwe van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een beroep op bewijsuitsluiting als voorzien in art. 359a, eerste lid en onder b, Sv. Het Hof heeft dat verweer op een ontoereikende grond verworpen. Nu het Hof de resultaten van de gewraakte confrontaties tot het bewijs heeft gebezigd, had het bij zijn beslissing op het verweer de vraag of sprake was van de beweerdelijke verzuimen en zo ja of daaraan bewijsuitsluiting diende te worden verbonden moeten beantwoorden. De kennelijke opvatting van het Hof dat een dergelijke beantwoording achterwege kan blijven in het geval het bewijsmiddel waarvan de rechtmatigheid wordt aangevochten, niet het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het hem verweten feit "naar voren komt", is onjuist.

4.5. Het middel slaagt.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 en 5 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 23 november 2010.