Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BN8363

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
09/01098
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BN8363
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gegronde bewijsklacht m.b.t. opzet van verdachte op de medeplichtigheid aan het telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van hennep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010/639
RvdW 2010/1419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 november 2010

Strafkamer

Nr. 09/01098

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 februari 2009, nummer 22/006046-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring.

2.2.1. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:

"een of meer onbekend gebleven personen in de periode van 26 augustus 2005 tot en met 2 december 2005 te Rotterdam met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in een pand aan de [a-straat] een hoeveelheid van ongeveer 410 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, bij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte in de periode van 26 augustus 2005 tot en met 2 december 2005 te Rotterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft door

- voornoemd pand te huren van [A] en vervolgens

- aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 2 december 2005 omstreeks 13.50 uur hebben wij een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een melding dat er in de [a-straat 1] vermoedelijk een hennepkwekerij zou zitten. Ter plaatse zagen wij dat alle ramen van de voorzijde aan de binnenkant vochtig waren. Wij zagen dat er druppels aan de binnenzijde van de ramen zaten. Nadat wij de bovenzijde van de toegangsdeur van het pand iets naar achteren duwden, waardoor er een kier ontstond, roken wij een zeer sterke henneplucht. Ambtshalve is deze lucht bij ons bekend als zijnde een henneplucht. Hierdoor hadden wij het vermoeden dat zich in deze woning een hennepkwekerij zou bevinden. Nadat wij in de woning waren binnen getreden, zagen wij in de gang van voornoemd pand een grote ronde bak staan, waaruit een tuinslang kwam. Bij ons is dit ambtshalve bekend als een voedingsbak voor de planten. Wij constateerden in de woning voorts:

- dat er een vloeistoftank in de gang aanwezig was en dat er een afvoerslang vanuit de vloeistoftank naar het afvoerputje in de douche ging;

- dat er in twee kamers een groot aantal hennepplanten stond;

- dat deze hennepplanten afzonderlijk in potten stonden en een hoogte hadden van ongeveer 50 centimeter;

- dat de hennepplanten al voorzien waren van toppen.

Wij weten dat als deze toppen van de hennepplant worden afgeknipt en worden gedroogd, het eindproduct als wiet gebruikt of verkocht kan worden. Wij hebben in totaal ongeveer 450 hennepplanten aangetroffen."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige]:

"Ik ben als manager werkzaam bij [A] gevestigd te Rotterdam. Deze firma heeft woningen in beheer die wij verhuren voor particuliere eigenaars. Op vrijdag 26 augustus 2005 kwam een vrouw bij ons op kantoor. Zij had geen afspraak en zij was alleen. Zij vertelde ons interesse te hebben in een gemeubileerde woning. U toont mij een kopie van een paspoort, met daarop een duidelijke foto. Ik herken de vrouw op de foto als zijnde de vrouw die bij ons op het kantoor kwam voor een woning. Vervolgens heeft mijn baas, [...], haar een lijst met vacante woningen getoond. Ik was hierbij aanwezig. Vervolgens koos zij de woning aan de [a-straat 1] uit. Vervolgens heeft deze vrouw het inschrijfformulier ingevuld. Zij heeft hier als naam opgegeven [verdachte]. Vervolgens vroegen wij haar om een geldig identiteitsbewijs. Dit kon zij ons niet overhandigen. Zij overhandigde ons wel een kopie van een ID-kaart. Zij verzekerde ons dat zij de maandag erop met haar geldige paspoort langs zou komen. Echter, de maandag erop kwam zij met een aangifte langs. In deze aangifte stond dat haar paspoort die vrijdag 26 augustus uit haar tas was gestolen. Ik ben de woning persoonlijk met haar gaan bekijken. Bij de gemeubileerde woning aangekomen ging [verdachte] akkoord met de woning en de huurprijs van 650 euro. Toen wij weer terug waren op kantoor, hebben wij het contract opgesteld. Hier heeft zij ook de eerste maand huur en de borg betaald. De huur werd cash voldaan door een man. Deze man heeft 2 keer betaald. Hij verklaarde aan mij de vriend van [verdachte] te zijn. Na 2 maanden werd er niet meer betaald. Wij hebben geprobeerd telefonisch en middels brieven contact op te nemen met [verdachte], hierop werd echter niet gereageerd. Volgens mij hebben we via de gemeente vernomen dat er een hennepkwekerij in genoemde woning was gevestigd. Sinds [verdachte] bij ons op kantoor is geweest, hebben wij niets meer van haar vernomen."

c. een geschrift, zijnde een huurovereenkomst betreffende de woonruimte aan de [a-straat 1] te Rotterdam, met als verhuurder [A], gevestigd te Rotterdam, en als huurder [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats];

d. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Ik heb een woning gehuurd aan de [a-straat]. Ik ben naar de woningverhuur gegaan. [Betrokkene] heeft geen bijzondere opdrachten gegeven met betrekking tot het huren van het huis. [Betrokkene] had een valse identiteitskaart voor mij gemaakt en die heb ik laten zien bij de woningverhuur. [Betrokkene] had mij geld gegeven voor de huur van de woning."

2.2.3. De bestreden uitspraak houdt voorts nog het volgende in:

"Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte aangevoerd dat het dubbel opzet, in de zin van wetenschap op de teelt van hennepplanten - ook in voorwaardelijke zin - ontbreekt, zodat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De verdachte heeft als huurder van een woning een zorgplicht voor dat pand. De verdachte heeft - met gebruikmaking van een vals identiteitsbewijs - de woning gehuurd voor een persoon, waarover zij heeft verklaard dat hij [betrokkene] heet en dat zij ongeveer 3 maanden een relatie met hem heeft gehad. Voorts heeft zij verklaard dat zij verder nagenoeg niets over deze [betrokkene] weet.

Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke handelwijze illegale praktijken in de hand werkt. De verdachte heeft aldus handelend - naar het oordeel van het hof - de aanmerkelijke kans aanvaard dat in die woning hennep zou worden geteeld, zodat zij met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld. Het verweer wordt daarom verworpen."

2.3. Aangezien de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte opzet heeft gehad op de medeplichtigheid aan het telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van hennep niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging kan worden afgeleid, is de uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

2.4. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. Savornin Lohman en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 16 november 2010.