Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BN8211

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
08/05272
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BN8211
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

De klacht dat de bewezenverklaring steunt op onderling tegenstrijdige bewijsmiddelen kan niet tot cassatie leiden, nu sprake is van een kennelijke misslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1386
NJB 2010, 2250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 november 2010

Strafkamer

Nr. 08/05272

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 december 2008, nummer 20/002043-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring berust op onderling tegenstrijdige bewijsmiddelen.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 3 juli 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen meermalen telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

3. hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 3 juli 2007 te Well, tezamen en in vereniging met anderen meermalen telkens opzettelijk heeft bewerkt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4. hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 3 juli 2007 te Well, tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het meermalen telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, bewerken, verwerken, afleveren, vervoeren en aanwezig hebben van een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I."

3.3. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2008, voor zover inhoudende:

"Er zijn jerrycans naar mij gezonden op naam en adres van mijn bedrijf die afkomstig waren uit Zuid-Amerika. Deze jerrycans zijn door DHL op mijn adres afgeleverd. Ik wist niet dat in die jerrycans cocaïne zat.

Ik heb mij alleen schuldig gemaakt aan het vertalen van hetgeen werd besproken tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en de Columbianen die in het laboratorium werkten, omdat ik goed Spaans spreek. Er is alleen tegen mij gezegd dat het proefzendingen waren, een zogenaamd testraject om te bezien of de route veilig was. Op een gegeven moment ben ik erachter gekomen dat er wel cocaïne heeft gezeten in de op mijn adres afgeleverde jerrycans, maar toen was het al te laat. De verklaringen die ik tot nu ten overstaan van de verbalisanten en bij de rechtbank heb afgelegd kloppen bijna allemaal. Volgens het proces-verbaal van 20 september 2007 zou ik ten overstaan van de rechtercommissaris hebben verklaard dat ik stoffen zou hebben ingevoerd, waarvan ik later gehoord heb dat er cocaïne in zat. Dat is niet juist, want ik heb nooit verklaard dat ik iets heb ingevoerd."

b. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris van 20 september 2007, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik heb stoffen ingevoerd, waarvan ik later heb gehoord dat er cocaïne in zat. Ik heb dat op mijn eigen naam gedaan. Deze stoffen zijn naar [medeverdachte 1] gegaan. Ik wist dat [medeverdachte 1] deze stoffen om zou zetten in cocaïne."

3.4. Gelet op de hiervoor onder b weergegeven verklaring van de verdachte gaat het bij de laatste zin van de onder a weergegeven verklaring om een kennelijke misslag. Het middel kan dus bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 16 november 2010.