Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BN8049

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-09-2010
Datum publicatie
24-09-2010
Zaaknummer
09/03257
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ3144, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

8:73 en 8:74 Awb, geen rentevergoeding over vergoeding griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/1589 met annotatie van Redactie
BNB 2010/325 met annotatie van J.A.R. van Eijsden
V-N 2010/50.8 met annotatie van Redactie
FutD 2010-2210
NTFR 2010/2250 met annotatie van Mr. M.H.W.N. Lammers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 09/03257

24 september 2010

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 juli 2009, nr. 08/00699, betreffende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.

1. Het geding in feitelijke instanties

Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking op de voet van artikel 29a van de Wet WOZ de vastgestelde waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z (hierna: de woning) voor het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 bekendgemaakt.

Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Bergen bij uitspraak de vastgestelde waarde gehandhaafd.

De Rechtbank te Alkmaar (nr. 06/2738 Woz) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd en de waarde verminderd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de waarde verminderd, het verzoek tot schadevergoeding afgewezen en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 4. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de klachten

3.1.1. De vierde klacht is gericht tegen het oordeel van het Hof dat er geen aanleiding bestaat om naast vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht, ook vergoeding van rente daarover te gelasten bij wijze van schadevergoeding.

3.1.2. Deze klacht faalt. De grondslag voor vergoeding van griffierecht is gelegen in artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Die bepaling voorziet alleen in vergoeding van het (nominale) bedrag van het betaalde griffierecht, en niet in vergoeding van rente daarover. In overeenstemming met de rechtspraak van andere hoogste bestuursrechters is de Hoge Raad van oordeel dat in artikel 8:74 Awb uitputtend is geregeld welke mogelijkheden de bestuursrechter heeft om een partij te veroordelen tot een vergoeding in verband met de heffing van griffierecht (vgl. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 juli 2004, RSV 2004/85, LJN AQ5516, en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 oktober 2007, nr. 200700778/1, LJN BB5817). Voor een aanvullende vergoeding van rente over het betaalde griffierecht bij wege van schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb, is dan ook geen plaats.

3.2. De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2010.