Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BN7055

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
26-11-2010
Zaaknummer
09/04790
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BN7055
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Kinderalimentatie; door appelrechter ten onrechte niet in aanmerking nemen van draagkracht vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010/633
RvdW 2010/1401
RFR 2011/15
NJB 2010, 2241
JWB 2010/499
JPF 2011/48 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 november 2010

Eerste Kamer

09/04790

DV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 299417/F2 RK 08-33 van de rechtbank Rotterdam van 4 september 2008,

b. de beschikking in de zaak 200.021.576/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 september 2009.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De man en de vrouw, die met elkaar gehuwd zijn geweest, zijn de ouders van [de dochter], geboren op [geboortedatum] 1993, en [de zoon], geboren op [geboortedatum] 1996.

(ii) De man en de vrouw zijn overeengekomen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten en verzorging van de kinderen een bedrag van € 225,-- per kind per maand zal betalen.

(iii) De vrouw is gehuwd en de beide kinderen behoren tot haar gezin. De man woont samen met zijn partner en haar kind.

3.2 De vrouw heeft verzocht de bijdrage voor de beide kinderen vast te stellen op een bedrag van € 244,77 per kind per maand, zulks met ingang van 1 december 2007.

De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. In hoger beroep heeft de man zich erop beroepen dat de echtgenoot van de vrouw op grond van art. 1:395 BW onderhoudsplichtig is jegens de tot zijn gezin behorende kinderen. Het hof heeft in rov. 8 van zijn beschikking vermeld dat de man deze stelling heeft betrokken. Het hof heeft met betrekking tot de verdeling tussen de ouders vervolgens overwogen (rov. 10) dat, indien beide ouders na de scheiding een inkomen hebben dat hoger is dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande, in beginsel de kosten van de minderjarigen over de ouders worden verdeeld naar rato van hun draagkracht, waarbij het hof de partijen als alleenstaanden beschouwt en het daarbij behorende draagkrachtpercentage hanteert. Het hof heeft voorts (in rov. 11) bij de vrouw geen draagkacht aanwezig geacht, "zodat van haar niet kan worden verwacht dat zij bijdraagt in de behoefte van de minderjarigen". Het hof heeft daarbij opgemerkt dat het inkomen van de echtgenoot van de vrouw bij haar inkomen is betrokken door het halveren van de woonlasten aan haar zijde. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

3.3 Het middel klaagt terecht dat het hof in zijn rov. 10 en 11 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door in zijn beoordeling niet de draagkracht van de echtgenoot van de vrouw te betrekken. Het hof heeft immers vastgesteld dat de man zich op de ingevolge art. 1:395 BW bestaande onderhoudsplicht van de echtgenoot van de vrouw heeft beroepen, zodat diens draagkracht voor de verdeling van de onderhoudsverplichtingen tussen de man en de vrouw niet buiten beschouwing kon worden gelaten, zoals het hof klaarblijkelijk heeft gedaan. Weliswaar heeft het hof het inkomen van de echtgenoot van de vrouw in aanmerking genomen, doch, naar uit de desbetreffende overweging van het hof blijkt, alleen bij de bepaling van de woonlasten van de vrouw en dus slechts in het kader van de beoordeling van haar draagkracht.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 september 2009;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar dat hof.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 26 november 2010.