Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BN6196

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
05-11-2010
Zaaknummer
09/00839
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BN6196
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2008:BI4061, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Procesrecht; art. 137 Rv. Cassatie; art. 407 lid 2 Rv; eisen waaraan middel moet voldoen; uitzondering indien het een rechtsklacht betreft en zonder meer duidelijk is waarin onjuistheid bestreden rechtsopvatting is gelegen, dan wel indien wederpartij rechtsstrijd in cassatie heeft aanvaard. Rechtsklacht kan behandeling vinden nu voldoende duidelijk is wat de rechtsklacht inhoudt. Hof heeft terecht geoordeeld dat kantonrechter zich niet van uitleg stellingen als eis in reconventie behoefde te laten weerhouden doordat niet voorafgaande aan de comparitie gelegenheid is geboden voor verweer hiertegen, nu die kans nadien wel is geboden en ook is benut.

Wetsverwijzingen
Grondwet 121
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 30
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 137
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1328
NJ 2013/124
NJB 2010, 2098
JWB 2010/465
JBPR 2011/6 met annotatie van prof. mr. R.P.J.L. Tjittes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 november 2010

Eerste Kamer

09/00839

DV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 412240 CV EXPL 06-5567 van de kantonrechter te Breda van 7 maart 2007;

b. de arresten in de zaak 103.005.049/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 november 2007 en 18 november 2008.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij schriftelijke overeenkomst heeft [verweerder] met ingang van 1 oktober 2004 de woon- annex bedrijfsruimte gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] verhuurd aan [eiser]. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaren met stilzwijgende verlenging voor een periode van nog eens vijf jaren.

(ii) De huurovereenkomst is op 1 december 2005 buitengerechtelijk ontbonden althans geëindigd.

3.2 Het onderhavige geding is ingeleid door [eiser], die ten overstaan van de kantonrechter betaling vorderde van, uiteindelijk, € 118.151,09 aan (primair:) vergoeding van schade, die hij stelt te hebben geleden als gevolg van tekortkomingen van [verweerder] in de nakoming van de huurovereenkomst. Op de eerstdienende dag is [verweerder] in persoon verschenen en verkreeg hij desverzocht twee weken de tijd om schriftelijk verweer te voeren. [Verweerder] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Hij heeft in zijn 'verweerwoord' gesteld dat [eiser] hem per 1 december 2005 een bedrag van € 40.450,-- (met rente) schuldig was ter zake van de koopprijs van het door [eiser] in het gehuurde gedreven cafetaria, een lening en achterstallige huurpenningen. Daarop heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast, alwaar [verweerder] andermaal in persoon is verschenen.

Bij die gelegenheid heeft de kantonrechter te kennen gegeven dat, hoewel [verweerder] niet op de gebruikelijke wijze een eis in reconventie had geformuleerd, zijn stellingen wel als zodanig zouden worden opgevat, aldus dat [verweerder] betaling van de genoemde bedragen vorderde. [eiser] heeft vervolgens een conclusie van repliek genomen (met een vermindering van eis), waarna [verweerder] een "verweerwoord op conclusie van repliek houdende vermindering van eis" (met producties) heeft ingediend. Ten slotte heeft [eiser] nog een "conclusie van dupliek in reconventie" genomen. De kantonrechter heeft bij vonnis in conventie de vorderingen van [eiser] afgewezen en heeft [verweerder] in reconventie toegelaten tot het bewijs van zijn in het dictum van dat vonnis omschreven stellingen.

[Eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan.

Hij heeft bij memorie van grieven tevens een "incidentele vordering tot onbevoegdheid" ingesteld, ertoe strekkende dat het hof zal bepalen dat geen eis in reconventie is ingesteld, althans de kantonrechter onbevoegd verklaart van die vordering kennis te nemen. Grief 1 in de hoofdzaak klaagde eveneens over de uitleg die de kantonrechter aan de stellingname van [verweerder] had gegeven. Het hof heeft in een tussenarrest de incidentele vordering afgewezen en in het eindarrest het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. In het tussenarrest overwoog het hof dat, voor zover het verweer van [verweerder] is bedoeld als reconventionele vordering, deze op de voet van art. 137 Rv. tijdig is ingesteld, nu [verweerder] uitstel had verkregen voor schriftelijk (aanvullend) verweer, zodat de conclusie van antwoord in de onderhavige zaak bestaat uit de combinatie van het mondelinge verweer ter zitting en het schriftelijk gevoerde verweer (rov. 4.2). Het overwoog voorts:

"4.3 De stelling van huurder, dat in het comparitievonnis van 27 september 2006 geen melding is gemaakt van een eis in reconventie en dat hij vóór de comparitie niet in de gelegenheid is gesteld een conclusie van antwoord in reconventie in te dienen, kan hem naar het oordeel van het hof niet baten. Huurder miskent in zijn betoog in de toelichting op grief 1 dat de comparitie van partijen er nu juist mede toe dient opheldering te krijgen, niet alleen over het materiële geschil maar tevens over processuele aangelegenheden, waaronder de thans aangesneden kwestie.

De omstandigheid dat het comparitievonnis geen gewag maakt van een eis in reconventie hoefde de kantonrechter er niet van te weerhouden ter comparitie de vraag ter sprake te brengen óf het verweer in de conclusie van antwoord moet worden opgevat als enkel een beroep op verrekening of tevens als eis in reconventie en om - na huurder en verhuurder daarover te hebben gehoord - te concluderen dat een eis in reconventie is ingesteld. Huurder heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door de werkwijze van de kantonrechter in zijn processuele belangen is geschaad. Hij heeft ter comparitie kunnen reageren op de zienswijze van de kantonrechter. Ook nadien is hij nog in de gelegenheid gesteld om in reconventie schriftelijk verweer te voeren, hetgeen hij bij conclusie van dupliek in reconventie, zij het onder protest, heeft gedaan. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat huurder geen volwaardig verweer in reconventie heeft kunnen voeren. Aldus is het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden en is niet in strijd gehandeld met artikel 19 Rv of met het beginsel van fair trial ingevolge artikel 6 EVRM.

4.4 Het hof is tenslotte van oordeel dat de kantonrechter in hetgeen verhuurder in zijn verweer bij antwoord naar voren heeft gebracht heeft kunnen en mogen begrijpen dat hij een eis in reconventie heeft willen instellen. In dat verband verwijst het hof op de eerste plaats naar de tekst van het schriftelijk verweer bij antwoord, waarin onder de punten 2 tot en met 7 wordt aangegeven dat huurder het overnamebedrag voor de inventaris van de cafetaria van € 20.000,= tot op heden niet heeft betaald, dat huurder een geldlening van € 15.000,= tot op heden onbetaald heeft gelaten en dat er sprake is van een achterstand in de huurbetalingen van € 5.450,=.

4.5 Verder heeft de kantonrechter blijkens het bestreden vonnis aan verhuurder ter comparitie nog naar zijn bedoelingen gevraagd en is ook uit het verdere verloop van de procedure niet gebleken dat verhuurder met zijn verweer alleen een beroep op verrekening heeft willen doen. Verhuurder heeft in zijn memorie van antwoord in het incident aangegeven dat hij bij het indienen van zijn schriftelijk verweer in eerste aanleg alsook tijdens de comparitie uitdrukkelijk aan de kantonrechter te kennen heeft gegeven dat huurder hem nog diverse geldbedragen is verschuldigd en dat hij daarvan betaling verlangt. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de kantonrechter de betreffende stellingen van verhuurder als een eis in reconventie heeft kunnen opvatten en dat zij daarmee niet buiten haar bevoegdheid of buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden.", waarna het hof (in rov. 4.6) tot de slotsom kwam dat de incidentele vordering diende te worden afgewezen.

3.3 Het middel richt zich tegen rov. 4.2-4.6 van het tussenarrest en de daarop voortbouwende rov. 8.1 van het eindarrest en klaagt dat het hof in genoemde rechtsoverwegingen het recht heeft geschonden en/of vormen heeft verzuimd waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, meer in het bijzonder het bepaalde in de art. 30 en 137 Rv. en art. 121 van de Grondwet.

De in de cassatiedagvaarding opgenomen toelichting luidt:

"Het cassatieberoep wordt ingesteld tegen zowel het tussenarrest als het eindarrest van het gerechtshof, op grond van verkeerde toepassing van artikel 137 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat het hof ten onrechte de reconventionele vordering van geïntimeerde niet niet-ontvankelijk heeft verklaard, terwijl zijdens eiser tot cassatie is aangevoerd dat die vordering niet geacht mocht worden te zijn ingesteld, althans te laat was ingesteld. Het hof heeft daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel een ontoereikende motivering aan de beslissing ten grondslag gelegd. Bij separate schriftelijke toelichting in de rolprocedure zal eiser tot cassatie zijn klachten nader toelichten."

3.4.1 De vraag rijst of dit middel aldus aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. voldoet. Volgens vaste rechtspraak dient een cassatiemiddel, dat moet zijn opgenomen in de cassatiedagvaarding, te vermelden tegen welke oordelen het is gericht en waarom door de bestreden oordelen het recht is geschonden en/of deze niet genoegzaam zijn gemotiveerd (vgl. HR 12 oktober 2001, nr. C99/335, LJN AB2566, NJ 2001/636). Een rechtsklacht dient met bepaaldheid en precisie in te houden welke beslissing of overweging in de bestreden uitspraak onjuist is en waarom door die beslissing of overweging het recht is geschonden. Een motiveringsklacht dient met bepaaldheid en precisie te vermelden welke beslissing of overweging onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is en waarom (vgl. HR 12 januari 2007, nr. C06/160, LJN AZ2041). Deze laatste eis houdt meer in het bijzonder in dat indien een cassatieklacht (mede) is gebaseerd op in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen, het middel de vindplaats(en) moet vermelden van die stellingen in de stukken van het geding (vgl. HR 6 juni 2003, nr. C02/058, LJN AF5889, NJ 2003/707).

Dit alles lijdt slechts dan uitzondering, indien het een rechtsklacht betreft en - zonodig mede uit de gedingstukken - zonder meer duidelijk is waarin volgens de steller van het middel de onjuistheid van de bestreden rechtsopvatting is gelegen, dan wel indien de wederpartij op basis van de in het middel (en eventueel de daarop in de schriftelijke toelichting gegeven verduidelijking) vervatte rechts- en/of motiveringsklachten de rechtsstrijd in cassatie heeft aanvaard (vgl. HR 10 september 1999, nr. C98/107, LJN ZC2961, NJ 1999/759 en HR 19 februari 1999, nr. C97/284, LJN ZC2856, NJ 1999/428).

3.4.2 In het licht van het vorenstaande kan de rechtsklacht behandeling vinden, nu, mede gelet op het betoog van [eiser] in de feitelijke instanties zoals dat door het hof in rov. 4.2 en 4.3 is weergegeven, voldoende duidelijk is wat de rechtsklacht inhoudt. Deze faalt evenwel. Het hof heeft terecht geoordeeld dat [verweerder] in eerste aanleg tijdig heeft aangevoerd hetgeen de kantonrechter vervolgens als eis in reconventie heeft aangemerkt en dat de kantonrechter zich niet van die uitleg van de stellingen van [verweerder] behoefde te laten weerhouden doordat [eiser] niet voorafgaand aan de comparitie in de gelegenheid is geweest zich tegen die eis te verweren, nu hem daartoe nadien wel de kans is geboden en hij die ook heeft benut.

3.4.3 Hetgeen hiervoor in 3.4.1 is overwogen brengt evenwel mee dat de motiveringsklacht niet aan de eisen van art. 407 lid 2 voldoet, zodat die niet voor behandeling in aanmerking komt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren E.J. Numann, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 5 november 2010.