Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BN5612

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
08/04953
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BN5612
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Samenwerkingsovereenkomst en overeenkomst tot oprichting c.v. Partijen verkeerden bij afbreken onderhandelingen overwijziging van de bestaande contractuele verhoudingen o.g.v. in samenwerkingsovereenkomst opgenomen verplichtingen niet in precontractuele fase. Ook bij vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat, staat het rechter vrij te beslissen dat niet aannemelijk is dat schade is geleden (vgl. HR 8 april 2005, NJ 2005, 371).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1286
RCR 2011/3
NJB 2010, 2051
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 oktober 2010

Eerste Kamer

08/04953

DV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. ARCADIS PLANREALISATIE B.V.,

gevestigd te Arnhem,

3. BIO SCIENCE PARK I C.V.,

gevestigd te Lelystad,

4. [Eiseres 4],

gevestigd te [vestigingsplaats],

5. BIO SCIENCE PARK I B.V.,

gevestigd te Arnhem,

EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

STICHTING DIENST LANDBOUWKUNDIG ONDERZOEK,

gevestigd te Wageningen,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] c.s. (tezamen) en afzonderlijk als respectievelijk [eiseres 1], Arcadis, BSP C.V., [eiseres 4], BSP B.V. en DLO.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak met de nummers 292209/HA ZA 04-2008 en 292781/HA ZA 04-2102 van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2005 en 9 augustus 2006,

b. het arrest in de zaak met de rolnummers 06/1736 en 06/1737 van het gerechtshof te Amsterdam van 17 juli 2008.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiseres] c.s. beroep in cassatie ingesteld. DLO heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [eiseres] c.s. toegelicht door mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk, advocaat bij de Hoge Raad, en voor DLO door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het principale en het incidentele beroep.

De advocaat van DLO heeft bij brief van 24 augustus 2010 op die conclusie gereageerd en de advocaat van [eiseres] c.s. bij brief van 27 augustus 2010.

3. Beoordeling van de middelen in het principale en het incidentele beroep

3.1 Voor de feiten die in cassatie tot uitgangspunt dienen wordt verwezen naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.

3.2.1 De onderhavige zaak betreft de afwikkeling van twee overeenkomsten die IDL (een kleindochtervennootschap van DLO) enerzijds en [eiseres 1] en Arcadis anderzijds hebben gesloten met betrekking tot de ontwikkeling en realisering van het Bio Science Park (BSP) in Lelystad, te weten een samenwerkingsovereenkomst en de overeenkomst tot oprichting van de commanditaire vennootschap BSP C.V. (de C.V.-overeenkomst). Van BSP C.V. is DLO commanditair vennoot en zijn [eiseres 4] en BSP B.V. de beherende vennoten.

Het BSP-project kwam, kort gezegd, niet van de grond en DLO heeft in april 2004 de samenwerkingsovereenkomst en de C.V.-overeenkomst opgezegd. Hieruit zijn tussen partijen geschillen ontstaan die hebben geresulteerd in twee procedures waarin telkens over en weer (in conventie en in reconventie) vorderingen zijn ingesteld.

3.2.2.1 In de ene procedure - door het hof genoemd "de C.V.-procedure" - heeft DLO, kort gezegd, in conventie ontbinding van BSP C.V. en benoeming van vereffenaars gevorderd. In reconventie hebben [eiseres 4] en BSP B.V. na wijziging van eis, kort samengevat, eveneens ontbinding van de C.V. gevorderd alsmede

(1) betaling van € 1.941.548,81 wegens gemaakte kosten ter uitvoering van de C.V.-overeenkomst, zulks op grond van de na ontbinding van BSP C.V. voor DLO bestaande ongedaanmakingsverplichting;

(2) betaling van € 2.918.278,-- wegens kosten en geleden verlies, verminderd met het toegewezen bedrag onder (1);

(3) vergoeding van de schade als gevolg van gederfde winst, op te maken bij staat.

3.2.2.2 De rechtbank heeft in de C.V.-procedure BSP C.V. ontbonden en de beherende vennoten tot vereffenaars benoemd. Zij heeft in reconventie geoordeeld dat de vordering onder (3) niet toewijsbaar omdat onvoldoende aannemelijk is dat er sprake is van gederfde winst, en ten aanzien van de vorderingen onder (1) en (2) de beslissing aangehouden.

3.2.3.1 In de andere procedure - door het hof genoemd "de S.O.-procedure" - hebben [eiseres 1], Arcadis en BSP C.V. in conventie, na wijziging van eis, gevorderd, kort samengevat,

(1) een verklaring voor recht dat de opzegging door DLO van de samenwerkingsovereenkomst nietig is;

(2) ontbinding van BSP C.V.;

(3) vergoeding van de schade die zij lijden door gemiste infrastructuur- en bouwopdrachten, op te maken bij staat;

(4) betaling van het in de C.V.-procedure gevorderde bedrag van € 1.941.548,81 indien en voorzover dit bedrag in die procedure is afgewezen.

In reconventie heeft DLO gevorderd, kort samengevat, een verklaring voor recht dat het beslag dat [eiseres 1], Arcadis en BSP C.V. hebben gelegd op de grond van DLO, onrechtmatig is alsmede vergoeding van de door DLO door dat beslag geleden schade, op te maken bij staat.

3.2.3.2 De rechtbank heeft in de S.O.-procedure in conventie de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst nietig geoordeeld en deze overeenkomst ontbonden.

Zij heeft DLO jegens [eiseres 1], Arcadis en BSP C.V. veroordeeld tot vergoeding van schade, inclusief rente, als gevolg van gemiste opdrachten, op te maken bij staat. De reconventionele vorderingen van DLO heeft de rechtbank toegewezen.

3.3.1 In hoger beroep heeft DLO de beslissing van de rechtbank bestreden dat de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst nietig is. Het hof vond dat een oordeel op dit punt van belang was voor de vraag of DLO, nu zowel de samenwerkingsovereenkomst als de CV, zijn ontbonden, schadevergoeding aan [eiseres 1], Arcadis en BSP C.V. dient te betalen.

In rov. 3.9.1-3.9.4 verwerpt het hof de door DLO op dit punt aangevoerde grieven I-V (principaal appel in de S.O.-procedure). Hiertegen komt DLO op in het incidentele cassatieberoep.

3.3.2 De onderdelen 3.1-3.3 van het incidentele middel bestrijden rov. 3.9.2 en 3.9.3 met rechtsklachten (vergezeld van ondersteunende motiveringsklachten) vanuit het perspectief van regels met betrekking tot het afbreken van precontractuele onderhandelingen.

De gedachtegang die, mede blijkens de toelichting, aan de klachten ten grondslag ligt, is dat het hof niet buiten beschouwing had mogen laten de vraag of [eiseres 1], Arcadis en BSP C.V. erop mochten vertrouwen dat DLO zou dooronderhandelen over de samenwerking met derden in het publiekrechtelijke samenwerkingsverband (vereist voor de subsidieverlening waarvan de realisering van het Kennis Facilitair Instituut - onderdeel van het BSP - afhankelijk was) en dat in zoverre sprake was van een precontractuele fase, zodat slechts onder zeer bijzondere omstandigheden een verplichting van DLO tot dooronderhandelen bestond.

Kennelijk heeft het hof deze gedachtegang niet gevolgd omdat het van oordeel was dat er in de verhouding tussen DLO enerzijds en [eiseres 1], Arcadis en BSP C.V. anderzijds geen sprake was van enige precontractuele fase, nu de onderhandelingen tussen partijen, die naar het hof heeft vastgesteld voortvloeiden uit een daartoe in art. 2.5 van de samenwerkingsovereenkomst opgenomen verplichting, betrekking hadden op een wijziging van de bestaande contractuele verhoudingen (samenwerkingsovereenkomst en de samenwerking in BSP C.V.). Dat oordeel is alleszins begrijpelijk en geeft geen blijk van enige miskenning van de grenzen van het toepassingsgebied van de criteria die gelden voor de beantwoording van de vraag onder welke omstandigheden het afbreken van precontractuele onderhandelingen niet meer geoorloofd is en wat van een ongeoorloofd afbreken de rechtsgevolgen zijn. De onderdelen falen reeds daarom.

3.3.3 De onderdelen 4-4.1 die in essentie klagen dat het hof ten onrechte DLO niet heeft toegelaten tot het bewijs dat zij in de periode na 4 februari 2004 jegens [eiseres 1], Arcadis en BSP C.V. hard heeft gemaakt dat zij de samenwerkingsovereenkomst zou willen ontbinden, falen op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.12.

3.3.4.1 De klachten van de onderdelen 5-13.2 keren zich tegen de motivering in rov. 3.9.1-3.9.4 van de beslissing van het hof dat de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst nietig is.

3.3.4.2 De onderdelen falen. Voorzover de klachten al feitelijke grondslag vinden in het bestreden arrest en in de gedingstukken, richten zij zich tegen in de motivering voorkomende oordelen die geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en die zozeer zijn verweven met feitelijke waarderingen dat zij in cassatie verder niet op hun juistheid kunnen worden beoordeeld en dus in zoverre voor rekening van het hof moeten worden gelaten. Voor het overige biedt de aangevallen motivering voldoende inzicht in de gedachtegang van het hof en bevat zij geen elementen die in het licht van het debat van partijen zouden meebrengen dat die gedachtegang onbegrijpelijk zou zijn of nadere motivering zou behoeven om de genoemde beslissing te kunnen dragen.

3.3.4.3 Onderdeel 14, dat zich richt tegen rov. 3.11.1 en 3.13 van het bestreden arrest, bouwt voort op de onderdelen 5-13.2 en deelt daarom hun lot.

3.3.5 Ook de onderdelen 15-15.1 (onderdeel 16 mist zelfstandige betekenis) keren zich tegen de genoemde rov. 3.11.1 en 3.13. Zij falen op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.40 uiteengezette gronden.

3.4.1 In hoger beroep heeft DLO bestreden de beslissing van de rechtbank dat [eiseres 1], Arcadis en BSP C.V. aannemelijk hebben gemaakt dat zij schade lijden door het missen van de in de samenwerkingsovereenkomst overeengekomen opdrachten tot het ontwerpen en realiseren van de boven- en ondergrondse infrastructuur van het BSP, daaronder begrepen het leveren en aanbrengen van de benodigde asfaltverhardingen en de (kans op) opdrachten voor de bebouwing.

3.4.2.1 Het hof heeft in rov. 3.10.1-3.10.4 de desbetreffende grief VI van DLO (principaal appel in de S.O.-procedure) besproken en gegrond geoordeeld, hetgeen het hof ertoe heeft gebracht de desbetreffende vordering van [eiseres 1], Arcadis en BSP C.V. af te wijzen.

3.4.2.2 Daartegen keert zich onderdeel I van het principale middel van [eiseres 1], Arcadis en BSP C.V. met een groot aantal klachten die tot in detail de verschillende elementen van de redengeving van het hof aanvallen. Tevergeefs echter, want voor de klachten en de aangevallen rechtsoverwegingen geldt hetzelfde als hiervoor in 3.3.4.2 is uiteengezet.

Daarbij verdient opmerking dat, waar de onderdelen het hof verwijten te hebben miskend dat voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat voldoende is dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden, aannemelijk is, zij eraan voorbij zien dat het hof de vrijheid had om, ook al strekte de vordering van [eiseres 1], Arcadis en BSP C.V. tot schadevergoeding op te maken bij staat, over de vraag of aannemelijk is dat de opzegging door DLO van de samenwerkingsovereenkomst (mogelijk) tot door hen gestelde schade kan hebben geleid, al in deze procedure een beslissing in ontkennende zin te geven, nu het zich daartoe kennelijk in staat achtte (vgl. HR 8 april 2005, nr. C03/311, LJN AR7435, NJ 2005, 371).

3.5 Onderdeel II van het principale cassatiemiddel van [eiseres 1], Arcadis en BSP C.V. bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 3.13 dat het door hen op 1 juni 2004 gelegde leveringsbeslag onrechtmatig was geworden op 9 november 2006, toen - naar het hof kennelijk bedoelt - het vonnis van de rechtbank voorzover daarin de samenwerkingsovereenkomst is ontbonden, in kracht van gewijsde was gegaan. Het onderdeel dat in essentie klaagt dat het hof met dit oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, faalt op de gronden, uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.37 en 4.38.

3.6 Onderdeel III van het principale middel van [eiseres 1], Arcadis en BSP C.V. mist zelfstandige betekenis en volgt het lot van de eraan voorafgaande onderdelen.

3.7.1 Onderdeel IV van het principale middel van [eiseres 4] en BSP B.V. betreft hetgeen het hof overweegt in rov. 3.11.2 en 3.11.3 met betrekking tot de vorderingen van [eiseres 4] en BSP B.V. tot vergoeding van respectievelijk gederfde winst en geleden verlies die zij stellen geleden te hebben als gevolg van de ontbinding van de C.V. (zie hiervoor in 3.2.2.1 onder (3) respectievelijk (2)).

Het hof oordeelt in rov. 3.11.2 ten aanzien van de vordering tot vergoeding van gederfde winst dat de beherende vennoten hun stelling dat de mogelijkheid van schade wegens gederfde winst aannemelijk is, onvoldoende hebben onderbouwd en het verwijst daartoe naar zijn rov. 3.10 en naar hetgeen de rechtbank in rov. 3.12 van haar vonnis heeft overwogen.

Wat betreft de vordering tot vergoeding van geleden verlies oordeelt het hof in rov. 3.11.3 dat [eiseres 4] en BSP B.V. ten aanzien van de kosten/verliezen die gemoeid zijn geweest met de ontwikkeling van het bedrijvenpark in zijn totaliteit, hun stelling dat het totale bedrijventerrein tot ontwikkeling zou zijn gekomen als het KFI eenmaal zou zijn gerealiseerd, onvoldoende hebben geconcretiseerd en onderbouwd, waarbij het hof ook hiervoor verwijst naar rov. 3.10 van zijn arrest.

3.7.2 De klachten van de onderdelen IV.1 (over rov. 3.11.2) en IV.2 (over rov. 3.11.3) falen omdat voor deze klachten en de aangevallen rechtsoverwegingen hetzelfde geldt als hiervoor in 3.3.4.2 is uiteengezet.

Daarbij verdient opmerking dat geen rechtsregel het hof belette om ter motivering van zijn oordeel te verwijzen naar rov. 3.10 waarmee het kennelijk het oog had op de in die overwegingen voorkomende feiten en omstandigheden, met name dat er onvoldoende belangstelling bij de bio science bedrijven bestond om zich in het bedrijvenpark te vestigen en - kort gezegd - de geringe animo van bedrijven voor huur van ruimte in het te realiseren KFI (voorverhuur).

3.7.3 Onderdeel IV.3 mist zelfstandige betekenis en deelt daarom het lot van de eraan voorafgaande onderdelen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van DLO begroot op € 6.052,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt DLO in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] c.s. begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, W.A.M van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J Numann op 29 oktober 2010.