Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BN4322

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
26-10-2010
Zaaknummer
09/01325 J
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BN4322
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Jeugdzaak. Het Hof heeft het OM n-o verklaard omdat het in h.b. is gekomen nadat het zelf ttz. in e.a. vrijspraak heeft gevorderd. HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. het h.b. uit HR NJ 1998,287. ‘s Hofs oordeel is gelet op hetgeen door de AG bij het Hof naar voren is gebracht over het later toegevoegde pv van politie met een beschrijving van de beelden, onbegrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 408
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1296
NJ 2010/588
NJB 2010, 2058
NBSTRAF 2010/358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 oktober 2010

Strafkamer

nr. 09/01325 J

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 25 februari 2009, nummer 21/003245-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de verdachte, mr. R.M. Maanicus, advocaat te Utrecht, heeft het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn hoger beroep.

2.2. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding onder 1 tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 04 juni 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een personenauto (merk VW, type Passat, kleur zwart), heeft weggenomen een laptoptas (inhoudende onder meer een mobiele telefoon en/of een Pocket PC (PDA) en/of twee wiskundeboeken en/of een rekenmachine), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door het inslaan/vernielen van een ruit van die auto."

2.3. De procesgang is als volgt geweest:

- aan de verdachte zijn bij inleidende dagvaarding twee feiten tenlastegelegd;

- de Kinderrechter heeft de verdachte van beide feiten vrijgesproken, wat betreft feit 1 op vordering van de Officier van Justitie en wat betreft feit 2 na een vordering van de Officier van Justitie tot bewezenverklaring en strafoplegging;

- het Openbaar Ministerie is tegen beide vrijspraken in hoger beroep gekomen, maar heeft het hoger beroep tegen de vrijspraak van feit 2 nadien ingetrokken;

- het Hof heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de vrijspraak van feit 1.

2.4.1. De appelmemorie van de Officier van Justitie houdt het volgende in:

"Ter zitting heb ik vrijspraak gevraagd voor feit 1. Na de zitting is mij echter gebleken dat er bewijsmiddelen zijn die zich nog niet in het dossier bevonden en welke wel leiden tot de conclusie dat sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Gebleken is namelijk dat er, naast de twee in het dossier genoemde camera's 8 en 9, nóg twee camera's bestaan, die de plaats delict, dan wel de directe omgeving, hebben vastgelegd, te weten camera 6 en camera 7. Deze camerabeelden zijn abusievelijk niet in het dossier. (...)

In het dossier bevindt zich op pagina 68 een proces-verbaal van bevindingen van de beelden van de camera's 8 en 9. Hiervan is tevens een aantal foto's in het dossier gevoegd. (...) De camerabeelden van de camera's 6 en 7 zijn abusievelijk niet aan het proces-verbaal toegevoegd. (...)

Tijdens de zitting van 25 juli 2008 zijn beelden van camera 8 bekeken door de rechter, de officier van justitie, de verdachte en zijn advocaat. Men constateerde dat van de twee figuren niet was vast testellen of zij gestreepte kleding droegen en ook de vorm van het gelaat was niet te zien. (...)

Na de zitting is mij gebleken dat niet al bet bewijs op de zitting is aangevoerd. (...) De twee figuren die op de beelden van de camera's 8 en 9 te zien waren, komen op de camera's 6 en 7 beter in beeld. (...)

Aangezien in hoger beroep in beginsel een volledig nieuw onderzoek van de zaak plaatsvindt, kunnen in die fase in eerste aanleg begane verzuimen en vergissingen worden hersteld en kunnen nader bekend geworden gegevens bij het onderzoek worden betrokken."

2.4.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de Advocaat-Generaal bij het Hof aldaar het volgende aangevoerd:

"Ik ga ervan uit dat in het dossier één cd-rom aanwezig is waarop verschillende beelden staan. Op de zitting in de eerste aanleg is niet de volledige cd getoond maar zijn alleen de beelden van camera 8 getoond. Wat als nieuw stuk aan het dossier is toegevoegd, is het aanvullende proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1]. Het onderzoek op de zitting in eerste aanleg is dan ook niet volledig geweest. Om die reden heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld. In hoger beroep kan dan het volledige onderzoek opnieuw plaatsvinden. Ik verzoek het hof het verweer van de raadsman te verwerpen."

2.5. Het Hof heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het hoger beroep het volgende overwogen:

"De raadsman heeft het hof verzocht het openbaar ministerie in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren nu het vertrouwensbeginsel is geschonden. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Nadat de officier van justitie in eerste aanleg vrijspraak had gevorderd voor het tenlastegelegde feit en de kinderrechter vervolgens verdachte voor dat feit had vrijgesproken, heeft de officier van justitie tegen die vrijspraak hoger beroep ingesteld. In het door de officier van justitie in zijn appelmemorie genoemde arrest (NJ 1998, 287) overweegt de Hoge Raad dat, indien na afloop van de behandeling in eerste aanleg, nader bekend geworden gegevens bij het onderzoek betrokken kunnen worden, er voor het openbaar ministerie gerede aanleiding bestaat in hoger beroep niettemin een veroordeling na te streven. In de onderhavige zaak stelt de officier van justitie dat de beelden van de camera's 6 en 7 abusievelijk niet aan het dossier waren toegevoegd. Als dit zo zou zijn geweest zou het hoger beroep door officier van justitie terecht zijn geweest, aldus de raadsman. Echter, tijdens de behandeling in eerste aanleg zijn alle onderdelen van het dossier aan de orde geweest, en dus ook de in het dossier aanwezige CD-rom waarop behalve de ter zitting getoonde beelden van camera 8, ook de beelden van de camera's 6 en 7 voorkomen. De kinderrechter mocht tijdens het onderzoek ervan uitgaan dat de officier van justitie ook bekend was met alle beschikbare camerabeelden. Verdachte mocht erop vertrouwen dat de officier van justitie na de gevorderde vrijspraak niet op hetzelfde dossier in hoger beroep zou gaan van de gegeven vrijspraak.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting bevestigd dat de cd-rom met daarop camerabeelden afkomstig van bewakingscamera's 6, 7, 8 en 9 die zich in het dossier bevindt dezelfde is als die zich in eerste aanleg in het dossier bevond. Wel is een aanvullend proces-verbaal aan het dossier toegevoegd. Volgens de advocaat-generaal is het onderzoek in eerste aanleg niet volledig geweest, omdat alleen de beelden van bewakingscamera 8 zijn getoond en niet die van 6 en 7. Volgens de advocaat-generaal is het openbaar ministerie wel ontvankelijk in het hoger beroep.

Het hof oordeelt over het verweer als volgt. De CD-rom waarop de door de officier van justitie in de appelmemorie aangehaalde beelden van de camera's 6 en 7 voorkomen, maakte bij de behandeling in eerste aanleg al onderdeel uit van het dossier. Het na de zitting in eerste aanleg ingekomen aanvullende proces-verbaal, opgemaakt op 3 augustus 2008 door verbalisant [verbalisant 1], bevat geen nieuwe gegevens maar relateert slechts hetgeen op de beelden van genoemde CD-rom wordt waargenomen. Het hof constateert dat volgens het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg ter zitting camerabeelden (van camera 08) zijn getoond, dat in eerste aanleg tevens getuige [verbalisant 1] is gehoord en dat de officier van justitie en de raadsman het niet noodzakelijk achtten dat de getuige de camerabeelden ter zitting bekeek, weshalve daarvan is afgezien. Vervolgens heeft de officier van justitie vrijspraak geëist van dit feit en de kinderrechter heeft verdachte van dit feit vrijgesproken. In de appelmemorie van de officier van justitie wordt naar het oordeel van het hof ten onrechte gemeld dat de beelden van de camera's 6 en 7 niet direct in het dossier zijn terechtgekomen, nu deze beelden zich immers bevonden op de cd-rom die bij het dossier zat.

Het hof is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat het openbaar ministerie door naar aanleiding van het verhandelde in eerste aanleg vrijspraak te vorderen van het tenlastegelegde feit, gevolgd door een vrijspraak van de kinderrechter, met het instellen van hoger beroep een beginsel van een goede procesorde heeft geschonden, nu door de officier van justitie bij verdachte het vertrouwen was opgewekt dat zijn zaak zonder veroordeling zou blijven. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het verweer van de raadsman moet worden gehonoreerd en dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep dient te worden verklaard."

2.6. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. De omstandigheid dat in hoger beroep in beginsel een volledig nieuw onderzoek van de zaak plaatsvindt brengt mee dat in die fase in eerste aanleg begane verzuimen en vergissingen kunnen worden hersteld, en nader bekend geworden gegevens bij het onderzoek kunnen worden betrokken. Voor het Openbaar Ministerie dat in eerste aanleg vrijspraak heeft gevorderd kan er daarom gerede aanleiding bestaan in hoger beroep niettemin een veroordeling na te streven (vgl. HR 1 april 1997, NJ 1998/287).

2.7. Uit hetgeen de Advocaat-Generaal bij het Hof ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de reden van het hoger beroep heeft meegedeeld, beschouwd in samenhang met de inhoud van de appelmemorie kan bezwaarlijk anders volgen dan dat die reden was gelegen in het alsnog betrekken bij het onderzoek van een proces-verbaal van politie, dat ten tijde van de behandeling in eerste aanleg nog niet was opgemaakt, te weten een proces-verbaal houdende een beschrijving van de beelden van de camera's 6 en 7, welke beelden in eerste aanleg slechts op een aan het dossier toegevoegde CD-rom beschikbaar waren.

2.8. Het Hof heeft bij zijn oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep tot uitgangspunt genomen dat in de appelmemorie van de Officier van Justitie "ten onrechte [wordt] vermeld dat de beelden van de camera's 6 en 7 niet direct in het dossier zijn terechtgekomen, nu deze beelden zich immers bevonden op de cd-rom die bij het dossier zat."

Dat oordeel is onbegrijpelijk, nu, naar volgt uit hetgeen hiervoor onder 2.7 is overwogen, het door het Openbaar Ministerie ingenomen standpunt niet anders kan worden begrepen dan dat die CD-rom zich wel bij de stukken in eerste aanleg bevond, maar niet een - later toegevoegd - proces-verbaal van politie, waarin van die beelden een beschrijving is gegeven. De bestreden uitspraak is dan ontoereikend gemotiveerd.

2.9. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. Savornin Lohman en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 26 oktober 2010.