Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BN2373

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-10-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
09/04448 H
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BN2373
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Gegrondverklaring i.v.m. persoonsverwisseling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 oktober 2010

Strafkamer

Nr. 09/04448 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 9 januari 2001, nummer 13/014282-00, ingediend door N. Velthorst, advocaat te Amsterdam namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraken waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvrager bij vonnis van 26 oktober 2000 ter zake van "wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben, meermalen gepleegd" schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. Voorts zijn de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toegewezen, met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen.

Bij vonnis van 9 januari 2001 heeft de Politierechter de aanvrager ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met verbeurdverklaring van een geldbedrag als in de aantekening mondeling vonnis omschreven.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat sprake is van een persoonsverwisseling.

3. De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting en schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien.

4. Beoordeling van de aanvrage

4.1. Als bijlage bij de aanvrage zijn onder meer gevoegd:

- een kopie van een beschikking van de Minister van Justitie van 21 december 2006. Bij deze beschikking is het bezwaar van [betrokkene 1] tegen de afwijzing van diens aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning ongegrond verklaard;

- een kopie van een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 26 september 2007. Bij deze uitspraak heeft de Rechtbank het beroep tegen voormelde beschikking van de Minister van Justitie ongegrond verklaard. Deze uitspraak houdt, voor zover hier van belang, in:

"2.9 Verweerder heeft de onderhavige aanvraag afgewezen, omdat hij van oordeel is dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Ter motivering van dat standpunt heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat gebleken is dat eiser op 11 december 2000 een misdrijf heeft gepleegd - overtreding van artikel 2, eerste lid onder b en onder c van de Opiumwet - waarbij hij zich na arrestatie en in de strafrechtelijke procedure heeft uitgegeven als te zijn [aanvrager] en waarvoor hij tot een gevangenisstraf van 2 weken is veroordeeld. Dat eiser dit misdrijf heeft gepleegd en zich vervolgens heeft uitgegeven als [aanvr[aanvrager], baseert verweerder op een verklaring van eiser zelf dat hij heeft vastgezeten onder de voormelde naam en op informatie uit een dactyloscopisch onderzoek, zoals neergelegd in een rapport van 27 september 2005 door de Politie Amsterdam-Amstelland.

(...)

Uit het eerder vermelde rapport van 27 september 2005 van de politie Amsterdam-Amstelland van een dactyloscopisch onderzoek van Bureau Identificatie van de dienst vreemdelingenpolitie staat onder meer het volgende.

"...[betrokkene 1] blijkt na controle op 27 september 2005 met het Fingerprint Image Transfersystem aangesloten op de nationale collectie vingerafdrukken HAVANK van de dNRI te Zoetermeer geregistreerd onder biometrienummer [001] en hier onder de naam [aanvrager] voor te komen. Hierbij is vastgesteld dat [betrokkene 1] de naam [aanvrager] 2x heeft opgegeven na aanhouding terzake van een misdrijf. In het dactynamensysteem blijkt dat hij met dit nummer werd geregistreerd op:

29/07/2000 als [aanvrager] 04/07/1970 terzake van misdrijf

11/12/2000 als " " " " terzake van misdrijf

09/04/2001 als " " " " terzake van misdrijf

06/10/2003 als [betrokkene 1] 24/11/1970 terzake Vreemd. Wet

Onder de naam [aanvrager] heeft betrokkene steeds de Nederlandse nationaliteit opgegeven.

...

[aanvrager] blijkt volgens de Gemeentelijke Basisadministratie een bestaand persoon te zijn met de Nederlandse nationaliteit.";

- een kopie van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2008 waarbij de hiervoor weergegeven uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage is bevestigd.

4.2. Naar aanleiding van de aanvrage is op verzoek van de Advocaat-Generaal, door tussenkomst van het College van Procureurs-Generaal, een nader onderzoek ingesteld door het Arrondissementsparket Amsterdam. Bij de resultaten van dit onderzoek is onder meer gevoegd het door de Rechtbank in zijn hiervoor onder 4.1 weergegeven uitspraak geciteerde rapport van het Bureau Identificatie van de dienst vreemdelingenpolitie. Zoals in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 10 is uiteengezet, volgt uit dit onderzoek dat de op 3 juni 2010 van de aanvrager genomen vingerafdrukken niet overeenkomen met de vingerafdrukken die op 29 juli 2000 en 11 december 2000 onder de naam van de aanvrager zijn opgenomen in de zogenoemde HAVANK-databank van de Dienst Nationale Recherche Informatie.

4.3. In de zaak waarop de veroordeling van de Politierechter van 26 oktober 2000 betrekking heeft, houden de stukken van het geding in dat de verdachte op 29 juli 2000 op heterdaad is aangehouden. Bij zijn voorgeleiding aan de Hulpofficier van Justitie heeft de verdachte opgegeven te zijn genaamd [aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats]. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de verdachte zich heeft gelegitimeerd. Van hem is een dactyloscopisch signalement afgenomen. Op 31 juli 2000 is dit signalement ter controle aangeboden bij "de afdeling Techniek en Zakenbeheer, afdeling dactyloscopie". Het bleek niet voor te komen in het bestand van genoemde dienst. Diezelfde dag is aan de verdachte op het politiebureau de dagvaarding voor de terechtzitting van de Politierechter in persoon uitgereikt, waarna hij is heengezonden. Het vonnis is bij verstek gewezen.

In de zaak waarop de veroordeling van de Politierechter van 9 januari 2001 betrekking heeft, houden de stukken van het geding in dat de verdachte op 11 december 2000 op heterdaad is aangehouden. Bij zijn voorgeleiding aan de Hulpofficier van Justitie heeft de verdachte opgegeven te zijn genaamd [aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats]. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de verdachte zich heeft gelegitimeerd. Op 11 december 2000 is aan de verdachte op het politiebureau de dagvaarding voor de terechtzitting van de Politierechter in persoon uitgereikt, waarna hij is heengezonden. Het vonnis is bij verstek gewezen.

4.4. Het voorgaande geeft steun aan de stelling waarop de aanvrage berust, te weten dat in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken waarvan herziening is gevraagd, sprake is geweest van persoonsverwisseling.

4.5. Een en ander levert het ernstige vermoeden op dat de Politierechter, ware deze met de evenvermelde feiten en omstandigheden bekend geweest, de aanvrager telkens van de hem tenlastegelegde feiten zou hebben vrijgesproken.

5. Slotsom

Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvrage gegrond is en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;

beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormelde vonnissen van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 26 oktober 2000 en 9 januari 2001;

verwijst de zaken naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaken op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zullen worden behandeld en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 5 oktober 2010.