Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BN1728

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-10-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
09/00233
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BN1728
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 342.2 Sv. Unus testis, nullus testis. HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. art. 342.2 Sv uit HR LJN BK2094 en uit HR LJN BM2452 m.b.t. de motivering van de feitenrechter dat aan het bewijsminimum is voldaan. I.c. kan niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van aangeefster onvoldoende steun vindt in het overige gebezigde bewijsmateriaal, zodat van schending van art. 342.2. Sv geen sprake is. Conclusie AG: anders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 342
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1184
NJ 2010/612 met annotatie van M.J. Borgers
NJB 2010, 1941
NBSTRAF 2010/345
VA 2011/9 met annotatie van J.H. Janssen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 oktober 2010

Strafkamer

nr. 09/00233

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 december 2008, nummer 20/004877-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. I.A.C. Cools, advocaat te Rijen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

1.2. Mr. M.L. Marcus-Daniëls, advocaat te Rijen, heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt in hoofdzaak dat het Hof de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer].

2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 27 december 2006 te Waalwijk, zich opzettelijk oneerbaar op een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten de Bernhardstraat te Waalwijk, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden."

2.3.1. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik doe aangifte van openbare schennis der eerbaarheid. Mijn dochter [slachtoffer] van 9 jaar vertelde mij dat de verdachte kwetsende handelingen pleegde.

Ik heb een dochter genaamd [slachtoffer], 9 jaar oud. [slachtoffer] was op 27 december 2006 samen met haar broer [betrokkene 2], 13 jaar, naar het centrum van Waalwijk. [Betrokkene 2] had namelijk zijn fietssleutel verloren en in een put laten vallen. De sleutel lag op de hoek van de Bernhardstraat en de Stationstraat. [Slachtoffer] vertelde mij dat [betrokkene 2] op zijn knieën zat om met zijn hand de sleutel uit de put te halen. [Slachtoffer] stond naast [betrokkene 2] te kijken. Achter [betrokkene 2] kwam een oudere man van ongeveer 50 jaar oud staan. Deze man loopt op een gegeven moment naar [slachtoffer] toe. Hij ging tegen haar aan staan. Op een gegeven moment draaide [slachtoffer] zich om en zag dat deze man zijn piemel liet zien."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Mijn broer had zijn fietssleutel in de put laten vallen. Mijn vriendinnetje en ik mochten mee. Toen kwam er een meneer aangelopen en ging een beetje kijken. Mijn broer zat met zijn hand in de put, ik stond erbij en mijn vriendinnetje stond zo'n beetje aan de zijkant. Die man kwam aanlopen en ging een beetje zakken. De meneer ging achter mij staan. Toen liet hij zijn piemel zien."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Gisteren ben ik samen met papa op het politiebureau geweest om te vertellen dat een man zijn piemel aan mij had laten zien.

Vandaag, 28 december 2006, was ik samen met mijn moeder, vader, vriendinnetje en mijn broer in het centrum van Waalwijk. We zaten in de auto. Mama was aan het bellen met de politie in de auto. Ik zag toen dat dezelfde man van gisteren voorbij liep.

Ik heb toen tegen papa en mama gezegd dat dat precies dezelfde man was van gisteren met zijn piemel. Hij had precies dezelfde kleren aan. Ik herkende hem aan zijn wit/grijze snor en zijn grijs haar zat precies hetzelfde als gisteren. Ik herkende hem ook aan zijn rimpels in zijn gezicht. Mama en een kennis hebben toen die man vastgepakt. Daarna is de politie gekomen en die heeft de man meegenomen."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:

"Woensdag 27 december 2006 was ik in het centrum van Waalwijk. Ik was samen met mijn zus [slachtoffer] en haar vriendinnetje [betrokkene 3].

Toen ik bezig was om de fietssleutel uit de put te halen, kwam er een man bij ons staan. Ik heb verder niet meer naar die man gekeken. Op een gegeven moment zag ik dat mijn zusje en haar vriendinnetje van de man wegliepen. Ik zag dat ze vies keken. Ik zei "wat doen jullie dom". Ik hoorde dat mijn zusje tegen mij zei "dat de man zijn piemel had laten zien"."

e. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Donderdag 28 december 2006 omstreeks 13.10 uur heb ik telefonisch contact opgenomen met [betrokkene 4], de moeder van het slachtoffer [slachtoffer]. Ik begreep van [betrokkene 4] dat zij samen met haar kinderen en man in de auto zat. Tijdens het gesprek hoorde ik kinderen gillen. Ik hoor dat [betrokkene 4] tegen mij roept: "de kinderen zien de dader bij de wibra naar binnen gaan". [Betrokkene 4] zei dat dit gezien de reactie van haar kinderen de man moest zijn die onzedelijke handelingen met haar dochter had verricht. [Betrokkene 4] riep tegen mij dat ze de man had tegengehouden. De politie is ter plaatse gekomen en heeft de man overgenomen."

f. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 2 en 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel een van hen:

"Verdachte:

Naam: [achternaam verdachte]

Voornamen: [voornamen verdachte]

Geboortedatum: [geboortedatum] 1946 te [geboorteplaats]

Datum en tijd aanhouding:

Donderdag 28 december 2006 te 13.30 uur."

g. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 15 december 2008, voor zover inhoudende:

"Ik was op 27 december 2006 in het centrum van Waalwijk, op de Bernhardstraat. Ik zag drie kinderen, een jongen en twee meisjes, bij een put staan. Ik ben naar die kinderen toegelopen en ik ben bij de put blijven staan. De jongen was bezig om met zijn arm in de put naar een fietssleutel te zoeken.

Ik heb geholpen met het zoeken naar het fietssleuteltje. Ik heb ook op mijn knieën gezeten. Ik heb bij de put gestaan, in de directe nabijheid van het meisje dat mij heeft beschuldigd."

2.3.2. Het bestreden arrest houdt voorts in:

"De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij van het subsidiair ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken. Daartoe is door de raadsman aangevoerd dat de belastende verklaring van het slachtoffer [slachtoffer], zoals afgelegd ter gelegenheid van het studioverhoor, onvoldoende wettig bewijs vormt om op basis daarvan tot een veroordeling van het subsidiair ten laste gelegde feit te komen. Voor zover al sprake zou zijn van voldoende wettige bewijsmiddelen, bevat de verklaring van het slachtoffer dermate veel inconsistenties en tegenstrijdigheden, dat op grond van die verklaring niet overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het strafdossier blijkt dat [betrokkene 1], als vader en wettelijk vertegenwoordiger, namens het slachtoffer [slachtoffer] op 27 december 2007 bij de politie ter zake van het ten laste gelegde aangifte heeft gedaan. Bij die gelegenheid heeft hij onder meer verklaard:

- dat [slachtoffer] op 27 december 2007 samen met haar broer [betrokkene 2] naar het centrum van Waalwijk was gegaan, omdat [betrokkene 2] zijn fietssleutel was verloren en in een put had laten vallen;

- dat de sleutel (in de put) op de hoek van de Bernhardstraat en de Stationsstraat te Waalwijk lag;

- dat [slachtoffer] aan haar vader had verteld dat [betrokkene 2] op zijn knieën zat om met zijn hand de sleutel uit de put te halen en dat zij, [slachtoffer], naast [betrokkene 2] stond te kijken;

- dat achter [betrokkene 2] een oudere man van ongeveer 50 jaar oud kwam staan;

- dat deze man op een gegeven moment naar [slachtoffer] toe liep en zij zag dat deze man zijn piemel liet zien.

Naar aanleiding van bovenstaande aangifte is met het slachtoffer [slachtoffer] op 9 januari 2007 een studioverhoor afgenomen. Bij die gelegenheid heeft het slachtoffer - voorzover te dezen van belang en zakelijk weergegeven - onder meer verklaard:

- dat haar broer zijn fietssleutel in de put had laten vallen en zij, [slachtoffer], samen met een vriendinnetje meemochten;

- dat haar broer met zijn hand in de put zat, [slachtoffer] en haar vriendin er bij stonden en er een man kwam aanlopen;

- dat die man in de directe nabijheid van [slachtoffer] zijn piemel aan haar liet zien.

Het hof heeft geconstateerd dat het studioverhoor met [slachtoffer] door daartoe gecertificeerde zedenrechercheurs en met inachtneming van de nodige zorgvuldigheid heeft plaatsgehad. Voorts constateert het hof dat de inhoud van [slachtoffer]'s verklaring tijdens het studioverhoor in de kern gelijkluidend is aan hetgeen - blijkens de weergegeven aangifte van de vader van [slachtoffer] - [slachtoffer] eigener beweging aan haar vader heeft toevertrouwd. Voorts heeft het slachtoffer [slachtoffer] op 28 december 2006 een verklaring afgelegd, inhoudende dat zij op 28 december 2008, een dag na het bewuste voorval, de man die de dag ervoor zijn geslachtsdeel aan haar had getoond, had herkend. Zij herkende de man onder meer aan zijn wit/grijze snor, zijn grijze haar en zijn rimpels in zijn gezicht. In haar verklaring heeft zij verklaard dat na de herkenning haar moeder en een kennis de man hebben vastgepakt, waarna de politie de man heeft meegenomen (proces-verbaal van verhoor d.d. 28 december 2006, dossierpagina 31). Uit het proces-verbaal van aanhouding (dossierpagina 13) blijkt dat op 28 december 2006 is aangehouden de verdachte [verdachte], geboren [geboortedatum] 1946 te [geboorteplaats].

Voorts bezigt het hof tot het bewijs de verklaring van verdachte, voor zover deze inhoudt:

"Ik was op 27 december 2006 in het centrum van Waalwijk, op de Bernhardstraat. Ik zag drie kinderen, een jongen en twee meisjes, bij een put staan. Ik ben naar die kinderen toegelopen en ik ben bij de put blijven staan. Ik heb geholpen met het zoeken naar het fietssleuteltje. Ik heb ook op mijn knieën gezeten. Ik heb bij de put gestaan, in de directe nabijheid van het meisje dat mij heeft beschuldigd."

Op grond van het voorgaande is het hof tot het oordeel gekomen dat aan de betrouwbaarheid van [slachtoffer]'s verklaringen niet behoeft te worden getwijfeld. Het hof bezigt die verklaring dan ook tot bewijs, alsmede de verklaring van de verdachte zelf, die deze verklaring doet ondersteunen.

Het hof acht op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang gezien, bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan."

2.4. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen (vgl. HR 26 januari 2010, LJN BK2094). Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. HR 13 juli 2010, LJN BM2452).

2.5. In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer] onvoldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal. Anders dan in het middel wordt betoogd, is dus van schending van art. 342, tweede lid, Sv geen sprake.

2.6. Het middel faalt in zoverre.

3. Beoordeling van de middelen voor het overige

Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 5 oktober 2010.