Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BN1022

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
10/00697 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1007
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juli 2010

Strafkamer

Nr. 10/00697 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 8 juli 1996, nummer 21/002344-95, ingediend door mr. M.J. Jansma, advocaat te Zwolle namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Zutphen van 23 oktober 1995 - de aanvrager onder meer ter zake van 1 en 2 telkens "Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 14, lid 1 van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan" veroordeeld tot een geldboete van

f 10.000,-, subsidiair honderd dagen hechtenis.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.2. De uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd houdt in:

"Namens de verdachte heeft de raadsvrouw ter terechtzitting aangevoerd dat haar cliënt heeft voldaan aan de in de Interimwet beperking varkens- en pluimveehouderijen opgenomen uitzonderingsbepaling van artikel 3 van de Interimwet.

Op grond daarvan neemt haar cliënt het standpunt in dat op grond van de Meststoffenwet hem een referentiehoeveelheid van 16.800 kg fosfaat toekomt. Nu de geproduceerde hoeveelheden in 1992 en 1993 minder bedroegen dan de genoemde hoeveelheid van 16.800 kg fosfaat dient haar cliënt te worden vrijgesproken van de hem onder 1 en 2 telastegelegde feiten.

Het hof verwerpt dit verweer omdat - wat er thans zij van een tijdige Aanvraag van een Hinderwetvergunning voor uitbreiding - uit het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat verdachte een investeringsverplichting ten behoeve van de vestiging of uitbreiding, zoals gesteld in de Interimwet, is aangegaan vóór 3 november 1984. Derhalve heeft verdachte niet voldaan aan de eisen gesteld in artikel 3 van de Interimwet."

3.3. Het Hof heeft het onder 1 en 2 bewezenverklaarde onder meer doen steunen op een proces-verbaal van de Algemene Inspectiedienst, voor zover inhoudende als verklaring van de aanvrager:

"Ik houd op het bedrijf uitsluitend slachtkippen. Ik heb het bedrijf in 1981 gestart. Ik had toen twee schuren met ongeveer 41.400 slachtkippen, waarvoor ik een hinderwetvergunning had. Later heb ik een nieuwe hinderwetvergunning aangevraagd voor 70.000 slachtkippen. Toen in 1988 de hinderwetvergunning afkwam heb ik daarna in 1991 één van de twee stallen gebouwd. Ik heb deze ruimte die een capaciteit heeft voor 15.000 slachtkippen, direct benut. Ik wist dat ik hiermee meer produceerde dan ingevolge de meststoffenwet was toegestaan. In 1992 heb ik de vierde stal gebouwd en daarmee mijn hinderwetvergunning van 70.000 slachtkippen volledig benut. Ik weet dat ik maar een mestquotum heb voor circa 41.000 slachtkippen."

3.4. In de aanvrage wordt aangevoerd dat de aanvrager destijds wel degelijk investeringsverplichtingen ten behoeve van de uitbreiding van zijn pluimveehouderijbedrijf is aangegaan als bedoeld in art. 3 Interimwet beperking varkens- en pluimveehouderijen (hierna: de Interimwet).

3.5. In de aanvrage wordt miskend dat na inwerkingtreding van art. 14 Meststoffenwet op 1 januari 1987 geen aanspraken meer konden worden ontleend aan de regels van de Interimwet, zodat een mestproducent niet kan profiteren van uitbreidingen die onder de Interimwet waren toegestaan maar onder de werking van die wet niet zijn verwezenlijkt (vgl. HR 30 november 1999, LJN ZD1561, NJ 2000, 94).

3.6. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 13 juli 2010.