Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM9757

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
26-11-2010
Zaaknummer
09/00320
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM9757
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2008:BH7750, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Aansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen (art. 6:174 BW); bedrijfsmatige gebruiker opstal; voor aansprakelijkheid van een bedrijsmatige gebruiker van een opstal is vereist dat tussen het ontstaan van het gebrek en de bedrijfsuitoefening een verband bestaat (art. 6:181 BW); exonoratieclausule; derdenwerking; door derde uit onrechtmatige daad aangesproken moedermaatschappij kan geen beroep doen op exonoratieclausule in een door haar dochtermaatschappij met de desbetreffende derde gesloten overeenkomst; naar buiten kenbare keuze om de bedrijfsmatige activiteiten en de exploitatie van een onderneming onder te brengen bij de dochtermaatschappij en de eigendom van het bedrijfspand bij de moedermaatschappij; opslag; bewaarneming; FENEX-condities.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010/636
RvdW 2010/1404
NJB 2010, 2236
RAV 2011/23
JWB 2010/488
JA 2011/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 november 2010

Eerste Kamer

09/00320

DV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders,

t e g e n

EDCO EINDHOVEN B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en Edco.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 100877/HA ZA 03-1992 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 juli 2006 en 1 november 2006;

b. de arresten in de zaak HD 103.004.388 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 september 2008 en 20 januari 2009.

De arresten van het hof zjn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 30 september 2008 heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Edco heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 8 juli 2010 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in rov. 4.1 van het bestreden arrest. Samengevat gaat het om het volgende. [Eiseres] is eigenares van een opslaghal, die zij heeft verhuurd aan haar dochtermaatschappij [A] B.V. (hierna: [A]). [A] exploiteert een transport-, op- en overslagbedrijf alsmede handels- en expeditiebedrijf.

Zij gebruikt de opslaghal voor de opslag van goederen van derden. Edco heeft op basis van een mondelinge overeenkomst (hierna: de opslagovereenkomst) goederen in deze hal opgeslagen. Op deze overeenkomst zijn de Fenexvoorwaarden van toepassing. Daarin heeft [A] haar aansprakelijkheid voor schade beperkt. Op 27 januari 2002 is het dak van de opslaghal ingestort. [Eiseres] is door Edco (en haar verzekeraars) aansprakelijk gesteld voor de als gevolg daarvan door Edco geleden schade.

De vordering van Edco strekt tot vergoeding van haar schade ten bedrage van € 172.040,64. De rechtbank heeft geoordeeld dat aan [eiseres] geen beroep toekomt op het exoneratiebeding in de Fenexvoorwaarden en dat haar aansprakelijkheid op grond van art. 6:174 BW vaststaat. Het hof heeft dit tussenvonnis bekrachtigd, en toestemming verleend voor tussentijds cassatieberoep.

3.2.1 Middel II - middel I is ingetrokken - bestrijdt de oordelen van het hof in rov. 4.11 tot en met 4.21 van zijn arrest. Volgens onderdeel II.1 kunnen de door [eiseres] aangevoerde stellingen dat

(i) [eiseres] een beleggings- en pensioenmaatschappij is;

(ii) [eiseres] de enig aandeelhoudster is van [A], op hetzelfde adres is gevestigd en dezelfde bestuurder heeft, en dat beide vennootschappen nauw verweven zijn met elkaar;

(iii) de bedrijfshal is gebouwd in opdracht van [A] en aan haar is opgeleverd, terwijl [eiseres] de eigendom verkeeg omdat de hal op haar grond is gebouwd;

(iv) [eiseres] de hal in concernverband aan [A] verhuurde ten behoeve van haar bedrijfsvoering;

(v) Edco ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten met [A] op de hoogte was van de onder (ii) tot en met (iv) vermelde feiten, in verband met de overige stellingen dat

(a) met de exoneratieclausule in de Fenexvoorwaarden in de verhouding tussen Edco en [A] een algehele regeling is getroffen voor de aansprakelijkheid van schade voortvloeiende uit of verband houdende met de opslagovereenkomst,

(b) die clausule ook geldt voor schade als hier aan de orde, en

(c) Edco als professionele partij de voorwaarden redelijkerwijs niet anders heeft kunnen opvatten dan dat deze schade, die verband houdt met de dienstverlening als expediteur, onder de werking van de Fenexvoorwaarden valt, het beroep van [eiseres] op de exoneratieclausule in de Fenexvoorwaarden dragen, omdat deze stellingen erop neerkomen dat het Edco duidelijk heeft moeten zijn dat - gelet op de nauwe verwevenheid van [eiseres] en DTV - (uiteraard) bedoeld werd deze clausule ook ten behoeve van [eiseres] te bedingen. Volgens het onderdeel, dat zich daartoe op de Haviltexmaatstaf beroept, lag dit in een context als de onderhavige zozeer voor de hand dat in beginsel van de juistheid van die uitleg kan worden uitgegaan. Op grond van dit een en ander getuigen de bestreden overwegingen van het hof van een onjuiste rechtsopvatting, althans vormen zij geen toereikende verwerping van dit standpunt. Ten onrechte neemt het hof aan dat er geen contractuele band tussen [eiseres] en Edco bestaat, nu de gelding van de exoneratieclausule mede ten behoeve van [eiseres] geacht moet worden te zijn overeengekomen. Als het hof voormelde omstandigheden niet in aanmerking heeft genomen, is zijn oordeel, aldus nog steeds het onderdeel, onbegrijpelijk.

3.2.2 Het hof heeft geoordeeld dat uit de bewoordingen van de exoneratieclausule zelf blijkt dat deze ziet op de opslagovereenkomst tussen [A] en Edco, dat tussen [eiseres] en Edco geen contractuele relatie bestaat, dat Edco zich voor de door haar gestelde aansprakelijkheid beroept op art. 6:174 BW en dat van een samenloop van een contractuele en wettelijke aansprakelijkheid geen sprake is. Het hof heeft vervolgens het standpunt van [eiseres] verworpen dat de exoneratie vanzelfsprekend ook gold voor de opslaghal van [eiseres] omdat Edco wist dat [A] tot het "Driessen-concern" behoorde. Het hof heeft daartoe nog in het bijzonder overwogen dat [eiseres] en [A] in de relatie tot Edco twee onderscheiden rechtspersonen zijn en dat, naar het hof kennelijk heeft bedoeld, [A] in haar contractuele relatie met Edco een exoneratie ten behoeve van [eiseres] als bezitter van de opstal had kunnen (en als [eiseres] deze exoneratie wilde, ook moeten) opnemen, doch dit niet heeft gedaan.

Met het voorgaande heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de nauwe betrokkenheid tussen [eiseres] en [A] - op de wijze zoals die door [eiseres] is omschreven aan de hand van de hiervoor in 3.2.1 vermelde omstandigheden - niet voldoende is om zonder verdere aanwijzing aan te nemen dat de exoneratieclausule mede ten behoeve van [eiseres] als bezitter van de opstal was bedongen. Dit oordeel houdt in dat in een geval als het onderhavige voor vereenzelviging van rechtspersonen geen plaats was, en dat uit de door [eiseres] gestelde omstandigheden niet kan volgen dat zij erop mocht vertrouwen dat de exoneratie in de rechtsverhouding tussen [A] en Edco ook ten behoeve van haar was bedongen. Dat het hof, aldus oordelend, de in het onderdeel aangevoerde stellingen niet voldoende heeft geacht om daaruit de door [eiseres] gewenste conclusie te trekken, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht.

3.2.3 Onderdeel II.2 klaagt dat het hof, gelet op de eerder vermelde omstandigheden, ten onrechte geen derdenwerking heeft aangenomen van de exoneratieclausule ten opzichte van [eiseres]. Het onderdeel betoogt dat het feit dat de werkzaamheden in de door [A] gebruikte opslaghal plaatsvinden terwijl de eigendom van die hal bij [eiseres] berust, enkel samenhangt met de 'toevallige' organisatie van de groep van vennootschappen waartoe zij behoren, en dat in het onderhavige geval in beginsel valt aan te nemen dat kennelijk slechts door de dochtermaatschappij is 'vergeten' om de exoneratieclausule mede te bedingen ten behoeve van de moedermaatschappij. Waar deze clausule normaal is, en niet bezwarend, is het redelijk dat ook [eiseres] een beroep daarop kan doen.

Ook dit betoog faalt. In de hiervoor in 3.2.2 vermelde oordelen van het hof ligt besloten dat geen sprake is van een "toevallige organisatie" maar van een naar buiten kenbare keuze om de bedrijfsmatige activiteiten en de exploitatie van de hiervoor in 3.1 vermelde onderneming onder te brengen bij [A] en de eigendom van de opslaghal bij [eiseres]. Naar het kennelijke oordeel van het hof was [eiseres] niet zodanig bij de uitvoering van de opslagovereenkomst betrokken dat doorwerking van de contractuele relatie, althans van het exoneratiebeding, voor de hand lag. Dit oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk.

3.2.4 Onderdeel II.3 keert zich tevergeefs tegen het oordeel van het hof dat [eiseres] niet kan worden beschouwd als hulppersoon van [A]. De omstandigheid dat [eiseres] als eigenaar van de opslaghal deze verhuurde aan [A] maakt haar, zoals in het oordeel van het hof ligt besloten, niet tot onderbewaarnemer of onderexpediteur van [A]. Het oordeel van het hof dat er in de gegeven omstandigheden geen aanleiding is hierover anders te oordelen, is niet onbegrijpelijk.

3.2.5 Onderdeel II.4 mist zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen behandeling.

3.3.1 Middel III keert zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.25) dat de schade aan de opgeslagen goederen is veroorzaakt doordat het dak van de hal is ingestort en enig verband tussen de daardoor geleden schade en de bedrijfsuitoefening van [A] ontbreekt. Het middel voert aan dat de beschadigde goederen van Edco zich bevonden "in de hal van [A]" in het kader van de uitvoering van de opslagovereenkomst, die onmiskenbaar deel uitmaakte van haar bedrijfsuitoefening zodat daarmee wel degelijk verband bestaat. Volgens het middel is de uitzondering aan het slot van art. 6:181 lid 1 BW "niet reeds van toepassing als het ontstaan van schade (hier het instorten van het dak) niet als zodanig een gevolg is van de bedrijfsuitoefening" en is "het bestaan van enig verband tussen tussen de bedrijfsuitoefening en het ontstaan van schade in beginsel al voldoende te achten om die bepaling niet van toepassing te doen zijn".

3.3.2 Aldus bepleit het middel een zeer beperkte toepassing van de uitzondering in het slot van art. 6:181 lid 1 BW. Deze vindt geen steun in het recht.

Uit de bewoordingen van deze bepaling dat "het ontstaan van de schade niet met de uitoefening van het bedrijf in verband staat" en uit hetgeen daarover wordt opgemerkt in Parl. Gesch. Boek 6, blz. 746 (geciteerd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 16), moet worden afgeleid dat voor het ontbreken van de aansprakelijkheid van degene die in de opstal een bedrijf uitoefent, nodig en toereikend is dat tussen het ontstaan van het gebrek en de bedrijfsuitoefening geen verband bestaat. Het feit dat de beschadigde goederen in het kader van de opslagovereenkomst in de hal waren opgeslagen, brengt, anders dan het middel betoogt, dus niet mee dat reeds op grond daarvan het ontstaan van de schade in de zin van art. 6:181 lid 1 in verband staat met de bedrijfsuitoefening van [A]. De aanvaarding van de in het middel bepleite opvatting zou, in strijd met de kennelijke bedoeling van de wetgever en met een redelijke wetstoepassing, ertoe leiden dat de in de tenzij-bepaling vervatte uitzondering vrijwel zonder praktische betekenis zou blijven. Het hof heeft dan ook zonder miskenning van enige rechtsregel tot zijn bestreden oordeel kunnen komen, nu de schade het gevolg is van een gebrek in de dakconstructie dat - naar in cassatie tot uitgangspunt moet dienen - niet is veroorzaakt door of in verband staat met de bedrijfsuitoefening van [A]. Het middel faalt dus.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Edco begroot op € 5.231,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 26 november 2010.