Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM7811

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-09-2010
Datum publicatie
03-09-2010
Zaaknummer
10/01271
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM7811
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2010:BL7305, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Pluraliteit van schuldeisers wel een noodzakelijke, doch niet een voldoende voorwaarde. Ook nog dient te worden onderzocht of de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Geen misbruik van bevoegdheid als bedoeld in art. 3:13 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/982
NJB 2010, 1664
JWB 2010/324
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 september 2010

Eerste Kamer

10/01271

RM/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Verzoeker], handelende onder de naam [A],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel,

t e g e n

RWE ENERGY NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. K.G.W. van Oven.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en RWE.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 09-949 van de rechtbank Arnhem van 8 januari 2010;

b. het arrest in de zaak 200.053.981 van het gerechtshof te Arnhem van 11 maart 2010.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

RWE heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker], althans tot verwerping van diens beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 25 juni 2010 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 RWE heeft verzocht [verzoeker] in staat van faillissement te verklaren. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Op het hoger beroep van RWE heeft het hof het verzoek alsnog toegewezen.

3.2 Onderdeel 1 keert zich tegen rov. 3.4 van het bestreden arrest waarin het hof heeft geoordeeld dat voor het kunnen aanvaarden dat [verzoeker] verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen noodzakelijk maar tevens voldoende is dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl ten minste één vordering opeisbaar is. Het onderdeel klaagt terecht dat het hof hiermee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Pluraliteit van schuldeisers is wel een noodzakelijke maar niet een voldoende voorwaarde voor de vaststelling of een schuldenaar verkeert in de toestand dat hij

heeft opgehouden te betalen. Ook als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan, dient nog te worden onderzocht of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Uit rov. 3.5 blijkt evenwel dat het hof naast de pluraliteit van schuldeisers ook nog heeft onderzocht of [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.

Het onderdeel kan dus bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

3.3 Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.5, waarin het hof heeft vastgesteld dat aan de voorwaarden voor het uitspreken van een faillissement is voldaan.

Ter motivering van zijn oordeel dat [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, heeft het hof in aanmerking genomen (i) dat, nu de vordering van RWE opeisbaar is, niet van belang is of de bank haar kredietverlening aan [verzoeker] wil voortzetten en (ii) dat [verzoeker] niet in staat is de vordering van RWE te voldoen. Deze laatste grond wordt in cassatie niet bestreden. Het feit dat [verzoeker] niet in staat is de vordering van RWE te voldoen, levert naar het kennelijke oordeel van het hof een voldoende reden op om aan te nemen dat [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en dat daaraan niet in de weg staat dat ABN AMRO bereid is haar kredietverlening aan [verzoeker] voort te zetten. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Nu vaststaat dat RWE een aanzienlijke vordering op [verzoeker] heeft en dat zij daarvan - afgezien van een bedrag van € 10.000,-- - al

langere tijd geen betaling heeft ontvangen, waaraan door het hof - in cassatie niet bestreden - de conclusie is verbonden dat [verzoeker] niet in staat is de vordering van RWE op hem te voldoen, is het oordeel van het hof dat [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, niet onbegrijpelijk. Onderdeel 2 faalt derhalve.

3.4 Onderdeel 3 keert zich tegen rov. 3.6 van het arrest van het hof, waarin het hof de verweren van [verzoeker] dat RWE met haar beroep tegen de afwijzende beschikking van de rechtbank misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW maakt dan wel dat zij bij dat beroep geen redelijk belang in de zin van artikel 3:303 BW heeft, niet aannemelijk heeft geacht. Onderdeel 3.1 faalt, omdat het hof klaarblijkelijk de stelling van [verzoeker] wel in aanmerking heeft genomen doch niet aannemelijk heeft geacht dat RWE het hoger beroep tegen afwijzing van het verzoek tot faillietverklaring heeft ingesteld alleen om daarmee 'een signaal naar de bank te sturen' zodat er geen reden is aan te nemen dat zij daarmee haar bevoegdheid om een faillissement aan te vragen voor een ander doel aanwendde dan waarvoor deze bevoegdheid is verleend. Onderdeel 3.2 kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Het hof heeft inderdaad niet kenbaar aandacht besteed aan de stelling van [verzoeker] dat hij na verlening van het faillissement zal verzoeken tot de schuldsanering te worden toegelaten, zodat, volgens [verzoeker], RWE niets krijgt, terwijl zij nu een groot gedeelte van haar vordering betaald kan krijgen. Het hof had daarin echter toch geen aanleiding kunnen vinden voor afwijzing van het verzoek, omdat de gedingstukken geen andere conclusie toelaten dan dat [verzoeker] deze stelling niet voldoende heeft gemotiveerd.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 3 september 2010.