Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM7050

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-09-2010
Datum publicatie
03-09-2010
Zaaknummer
09/03637
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM7050
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Echtscheiding. Geschil tussen voormalige echtelieden over partneralimentatie. Door de huwelijksgerelateerde behoefte van 60% van het voormalige netto gezinsinkomen als enige maatstaf te hanteren, heeft het hof miskend dat de behoefte aan alimentatie in redelijkheid moet worden bepaald met inachtneming van alle door partijen aangevoerde relevante omstandigheden. Maatstaf: HR 19 december 2003, NJ 2004, 140.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010/473
RvdW 2010/976
RFR 2010/121
NJB 2010, 1662
FJR 2011, 32 met annotatie van Mr. I.J. Pieters
JWB 2010/337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 september 2010

Eerste Kamer

09/03637

RM/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[Verweerster],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 100553/FA RK 08-147 van de rechtbank te Alkmaar van 15 oktober 2008;

b. de beschikking in de zaken 200.022.336/01 en 200.022.336/02 van het gerechtshof te Amsterdam van 9 juni 2009.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging van de in cassatie bestreden beslissing en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof, met compensatie van de kosten.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Partijen zijn in mei 2002 met elkaar gehuwd.

In februari 2007 zijn zij (feitelijk) uit elkaar gegaan. Vanaf juni 2007 tot oktober 2008 heeft de man aan de vrouw een bedrag van € 3.000,-- per maand voor haar levensonderhoud betaald. Bij beschikking van 20 september 2007 heeft de rechtbank Alkmaar tussen partijen echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 14 februari 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Het verzoek van de vrouw strekt tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud ten bedrage van € 10.000,-- per maand.

De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. In hoger beroep heeft de vrouw aangevoerd dat zij behoefte heeft aan een bijdrage van € 11.000,-- per maand. De man heeft deze behoefte - mede wat iedere door de vrouw gestelde post afzonderlijk betreft - betwist. Het hof heeft de bijdrage met ingang van 20 februari 2008 bepaald op € 5.685,-- per maand.

3.3 Het hof heeft in rov. 4.4 overwogen dat als uitgangspunt voor de behoefte van een onderhoudsgerechtigde geldt dat deze wordt bepaald aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen van de echtgenoten op het moment dat zij uiteen gingen. Het hof hanteerde daarbij als norm dat de huwelijksgerelateerde behoefte 60% van het voormalige netto gezinsinkomen (in de laatste drie jaren) bedraagt, en stelde aldus (in rov. 4.7) de behoefte van de vrouw vast op een bedrag van € 17.466,-- netto per maand.

3.4 Dit oordeel, in het bijzonder wat betreft het forfaitaire uitgangspunt, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde (HR 19 december 2003, nr. R03/040, LJN AM2379, NJ 2004, 140). Door 60% van het vroegere netto gezinsinkomen als (enige) maatstaf te hanteren, heeft het hof miskend dat de behoefte aan alimentatie in redelijkheid moet worden bepaald met inachtneming van alle door partijen aangevoerde relevante omstandigheden als voormeld.

3.5 Nu onderdeel 1 slaagt, kan onderdeel 2 betreffende afwijzing van het verzoek tot limitering onbehandeld blijven. Daarover moet het hof na verwijzing immers opnieuw oordelen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 9 juni 2009;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A. Hammerstein, W.A.M. van Schendel, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 3 september 2010.