Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM6891

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
09/00364
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM6891
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Afwijzing getuigenverzoek ontoereikend gemotiveerd. 2. Verzuim beslissing te nemen ex art. 353 Sv m.b.t. de inbeslaggenomen voorwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1236
NJB 2010, 2009
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 oktober 2010

Strafkamer

Nr. 09/00364

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 25 juli 2008, nummer 21/003253-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt over 's Hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging om [getuige] ter terechtzitting als getuige te horen.

2.2.1. Aan de verdachte is onder 5 tenlastegelegd dat:

"hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 november 2004 tot 11 januari 2005 in de gemeente Zwolle en/of elders in Nederland één of meer wapens van categorie III, te weten één of meer pistolen en/of één of meer wapens van categorie I onder 7?, zijnde voorwerpen die voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonden met vuurwapens en/of met voor ontploffing bestemde voorwerpen heeft overgedragen aan [getuige] en/of voorhanden heeft gehad."

2.2.2. Daarvan is bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 01 november 2004 tot 11 januari 2005 in de gemeente Zwolle en/of elders in Nederland wapens van categorie III, te weten pistolen heeft overgedragen aan [getuige] en voorhanden heeft gehad."

2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2006 houdt als verklaring van de verdachte in:

"Het onder 5 tenlastegelegde geef ik ook toe. Het is juist dat ik in de tenlastegelegde periode aan [getuige] een gaspistool en een balletjespistool heb overgedragen."

2.4. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevinden zich de volgende processen-verbaal van politie:

(i)een proces-verbaal van politie van 18 januari 2005, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige]:

"U vraagt mij of ik naast het huren van een box in Lemelerveld nog wel eens wat voor [verdachte] deed. [Verdachte] liet weleens een koffertje bij mij achter in de garage met de mededeling of ik er op wilde letten en dat hij het later wel kwam ophalen.

(...)

Ik heb gezien wat er in de koffertjes zat. In alle koffers zat een pistool. Alle keren dat ik gezien heb wat er in zat was het een ander pistool. Het waren pistolen. Wapens met een magazijn en dus geen cilinder. Van een pistool weet ik zeker dat het er een was van het merk WALTHER. Ik heb er geen munitie bij gezien. Bij de WALTHER zaten twee houders. De WALTHER was zilverachtig van kleur, verchroomd of zoiets. Volgens mij was dit wapen een slag kleiner dan het normale politiepistool. Volgens mij waren de handgrepen zwart van kleur.

De andere beide pistolen weet ik verder niet. Volgens mij zat daar maar een houder bij. Deze wapens waren groter dan de WALTHER. Ook waren ze voor mijn gevoel zwaarder. Beide waren zwart van kleur. Ook de handgrepen waren zwart. De WALTHER was volgens mij van een kleiner caliber dan de andere wapens. De andere beide waren 9 millimeter."

(ii) een proces-verbaal van politie van 18 januari 2005, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige]:

"Ik heb zojuist een verklaring afgelegd met betrekking tot het in bewaring nemen van wapens van [verdachte].

(...)

Nu ik door het boek zo doorblader en het merk SIG-SAUER tegenkom, herinner ik mij, dat [verdachte] mij bij een van de wapens vertelde dat het een SIG-SAUER was."

(iii) een proces-verbaal van politie van 20 januari 2005, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige]:

"U vraagt mij of de drie vuurwapens die [verdachte] bij mij heeft gebracht wel echte vuurwapens waren. Ja, wel degelijk waren dit echte vuurwapens. Ik heb alle drie de vuurwapens in handen gehad. Ik heb wel vaker een vuurwapen in handen gehad en weet heel goed het verschil tussen een nepwapen en een echt wapen. De drie vuurwapens die [verdachte] mij heeft laten zien waren echte vuurwapens."

2.5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2007 houdt in:

"De raadsman voert aan, zakelijk weergegeven:

(...)

Daarnaast wil ik nog een aantal getuigen horen. Ik heb de namen van de getuigen genoemd in de fax die ik gisteren naar het hof verzond. Mijn cliënt heeft die namen genoemd. Van die personen speelt alleen [getuige] een rol in de bewezen verklaarde feiten. De officier van justitie heeft ook geappelleerd en dus moet het hof alle zaken opnieuw beoordelen. Daarom wil ik meer getuigen laten horen en verzoek ik een terugwijzing naar de RC. Ik licht mij verzoek om deze getuigen te horen toe:

-[getuige] komt voor in zaak 10. [Getuige] heeft er volgens cliënt geen verstand van. Die man kan je niet als wapendeskundige gebruiken. Ik heb erover gedacht om hem mee te nemen naar de zitting vandaag maar [getuige] weigert dat. Hij wil niet op zitting worden gehoord. Een verklaring bij de RC wil hij wel afleggen.

(...)

U vraagt mij waarom de getuigen niet eerder zijn gehoord. [Getuige] wilde eerst überhaupt geen verklaring afleggen. Nu wel. De anderen getuigen kwamen niet voor in de bewijsconstructie. Ik had ook aantal strategische overwegingen. Nu vind ik het horen van de getuigen relevant. Het klopt dat ik ook bij de eerste behandeling bij het hof niet over deze getuigen heb gesproken. Dat kwam omdat de advocaat-generaal had gezegd dat deze zaak werd stilgelegd omdat hij wilde uitzoeken of er dwarsverbanden lagen met een strafzaak uit Assen waarvoor cliënt vast zat. Ik heb deze beslissing genomen naar aanleiding van uitgebreid overleg met cliënt.

(...)

De advocaat-generaal deelt mee, zakelijk weergegeven:

(...)

Het horen van [getuige] snap ik niet. Hij wil niet mee? De raadsman weet dat getuigen verplicht zijn te komen en te verklaren als zij worden opgeroepen. Daarom begrijp ik niet waarom nu pas dit verzoek komt. Ik zie de noodzaak ook niet en daarom vorder ik afwijzing van het verzoek.

(...)

De voorzitter schorst de behandeling voor beraad.

Na beraad deelt de voorzitter als beslissing mee dat:

(...)

* het hof het verzoek om [getuige] als getuige te horen afwijst. Het hof acht dit niet noodzakelijk, mede gelet op de verklaring van de verdachte op de vorige zitting van het hof waarbij hij bekend heeft wapens te hebben verstrekt;"

2.6.1. Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang:

i. aan de verdachte is - kort gezegd - tenlastegelegd dat hij één of meer pistolen (categorie III) en/of één of meer op vuurwapens gelijkende voorwerpen (categorie I, onder 7°) aan [getuige] heeft overgedragen;

ii. de verdachte heeft blijkens het hiervoor onder 2.3 weergegeven proces-verbaal verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode aan [getuige] een gaspistool en een balletjespistool heeft overgedragen;

iii. De hiervoor onder 2.4 weergegeven verklaringen van [getuige] houden in dat het ging om "echte vuurwapens".

2.6.2. Hieruit kan bezwaarlijk anders worden afgeleid dan dat het volgens [getuige] ging om wapens van categorie III van de Wet wapens en munitie, zoals tenlastegelegd, en dat dat volgens de verdachte niet het geval was.

2.6.3. In dat licht bezien is de afwijzing van het verzoek om [getuige] als getuige te horen ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het vierde middel

Het middel klaagt terecht dat het Hof heeft nagelaten op de voet van art. 353 Sv een beslissing te nemen met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het derde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde gegeven beslissingen en voor zover daarin geen beslissing is genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen alsmede wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 12 oktober 2010.