Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM5085

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
06-07-2010
Zaaknummer
08/03640
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM5085
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Promis. Opzet bij meineed. Art. 207 Sr.Uit ’s Hofs bewijsvoering kan worden afgeleid dat X op het moment dat een schot werd gelost, niet, zoals verdachte als getuige in de strafzaak tegen Y heeft verklaard, naast de auto stond, maar dat X zich op dat moment in de auto bevond. Uit die bewijsvoering kan niet zonder meer worden afgeleid dat het opzet van verdachte t.t.v. het afleggen van haar verklaring was gericht op het afleggen van een valse verklaring daaromtrent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/927
NJ 2010/424
NJB 2010, 1552
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 juli 2010

Strafkamer

Nr. 08/03640

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 12 augustus 2008, nummer 21/002944-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het aangevallen arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring.

2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij op 16 januari 2007, te Almelo, ter terechtzitting van de Arrondissementsrechtbank te Almelo, als getuige in de strafzaak met parketnummer 08/710602-06 tegen [betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, nadat zij in handen van de voorzitter op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft verklaard: "Op het moment dat er een schot werd gelost, stond [slachtoffer] naast de auto aan de passagierskant, dat wil zeggen op de stoep. Hij zat beslist niet in de auto toen er geschoten werd."

2.3. Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het Hof het volgende overwogen:(1)

"Het proces-verbaal verdenking meineed houdt onder meer het volgende in:

Ter openbare terechtzitting van de arrondissementsrechtbank te Almelo op 16 januari 2007 is in de zaak, parketnummer 710602/06 van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen [betrokkene 1] als getuige gehoord [verdachte], die na op de wijze bij de wet bepaald in handen van de voorzitter de eed te hebben afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, heeft verklaard: Op het moment dat er een schot werd gelost, stond [slachtoffer] naast de auto aan de passagierskant, dat wil zeggen op de stoep. Hij zat beslist niet in de auto toen er geschoten werd.

De verdachte heeft op de terechtzitting van het hof van 29 juli 2008 bevestigd dat zij op de zitting van de rechtbank Almelo op 16 januari 2007 aldus heeft verklaard. Zij heeft voorts verklaard dat met [slachtoffer] [slachtoffer] wordt bedoeld en dat [getuige 1] haar buurvrouw is.

Het strafvonnis van de rechtbank Almelo van 27 maart 2007, parketnummer 08/710602-06, gewezen in de strafzaak tegen [betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, houdt onder andere als bewezenverklaring in dat hij op 13 juli 2006 te Almelo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], van het leven te beroven met dat opzet (in zijn, verdachtes, woning) een pistool heeft gepakt en achter zijn broeksband heeft gestopt en vervolgens met dat pistool naar buiten en in de richting van die [slachtoffer] en de personenauto van [betrokkene 2] (welke auto voor de woning van verdachte geparkeerd stond) is gelopen en toen dat pistool van achter zijn broeksband heeft gepakt en ter hand heeft genomen en op korte afstand van die [slachtoffer] en die [betrokkene 2] en die auto op die [slachtoffer] en die auto heeft gericht en vervolgens met dat pistool een of meer kogel(s) heeft afgevuurd op die [slachtoffer] en op de auto waarin die [slachtoffer] en die [betrokkene 2] zaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte heeft ontkend opzettelijk meineed te hebben gepleegd, nu het in haar beleving is gegaan zoals zij heeft verklaard.

Het hof neemt het volgende in aanmerking.

[Slachtoffer] heeft op 13 juli 2006 aangifte gedaan van poging tot doodslag of poging tot moord. Hij heeft in zijn aangifte, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij op die avond bij [betrokkene 2] in haar huis in [plaats] was en dat [betrokkene 2] op een gegeven moment zei dat zij de jongen, haar zoon [betrokkene 3], ging wegbrengen naar zijn vader [betrokkene 1], die aan de [a-straat 1] te [plaats] woont. Vervolgens zijn [betrokkene 3], [betrokkene 2] en hij met de auto naar [betrokkene 1] gereden. Ter plaatse parkeerde [betrokkene 2] de auto voor de woning en liet zij [betrokkene 3] uitstappen. Hij zag dat [betrokkene 1] naar buiten liep. Ondertussen was hij, [slachtoffer], van achter in de auto voor in de auto gaan zitten. Hij is aan de bijrijderskant gaan zitten en zag [betrokkene 1] rechts van hem staan. Ondertussen was [betrokkene 2] weer achter het stuur in de auto gaan zitten. Op het moment dat [betrokkene 2] weg wilde rijden, zag hij dat [betrokkene 1] vanachter zijn broeksband een pistool haalde. Hij zag dat [betrokkene 1] op hen richtte en hoorde een knal. De kogel is dwars door de ruit van de bijrijderskant gegaan.

Het voorval is waargenomen door [getuige 1]. Zij heeft ten overstaan van de politie, zakelijk weergegeven, verklaard dat zij zich op 13 juli 2006 tussen 21.30 en 22.00 uur bevond in haar woning aan de [a-straat 2] te [plaats], toen zij plotseling geschreeuw hoorde op nummer [1]. Zij zag dat voor de woning van haar buurman een auto stond. Zij is naar boven gelopen naar de slaapkamer aan de voorzijde, de straatkant, van haar woning. Zij zag op het voetpad twee mannen en een vrouw staan, één van die mannen was haar buurman [betrokkene 1]. Ook hoorde zij de stem van haar buurvrouw [verdachte]. Zij zag dat de andere man een donkere huidskleur had, dat hij naar de auto liep en plaats nam aan de passagierskant voor in de auto. Zij zag vervolgens dat de man in de auto het passagiersrampje dichtdraaide en dat de vrouw in de auto stapte aan de bestuurderskant. Op het moment dat de auto achteruit reed, zag zij dat haar buurman [betrokkene 1] naar de auto liep en met zijn rechterhand wees in de richting van de voorzijde van de auto waarin de man en de vrouw zaten. Zij hoorde dat haar buurvrouw [verdachte] riep: "[Betrokkene 1] niet doen, niet doen". Zij hoorde plotseling een knal en zag ter hoogte van de rechterhand van haar buurman [betrokkene 1] een rookwolk.

De verklaring van [getuige 1], die als onafhankelijke getuige kan worden beschouwd, wordt gesteund door de eveneens onafhankelijke getuigen [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] die allen verklaren dat zij eerst autodeuren hebben horen dichtslaan en daarna knallen hoorden. [Getuige 2] en [getuige 3] hoorden ook een vrouwenstem roepen "nee, nee, niet doen".

Het hof is op grond van deze verklaringen en de omstandigheid dat verdachte niet heeft onderbouwd waarop haar andere beleving kan zijn gebaseerd, ervan overtuigd dat verdachte opzettelijk een onware verklaring heeft afgelegd. Voor zover zij met haar mededeling, dat zij heeft verklaard overeenkomstig haar beleving bedoelt dat het in haar herinnering echt zo gegaan is als zij vertelt, gaat het hof daaraan voorbij. Het is ondenkbaar dat verdachte te goeder trouw meent, dat haar relaas op de waarheid berust."

2.4. Uit 's Hofs bewijsvoering kan worden afgeleid dat [slachtoffer] op het moment dat een schot werd gelost, niet - zoals de verdachte als getuige in de strafzaak tegen [betrokkene 1] heeft verklaard - naast de auto stond, maar dat [slachtoffer] zich op dat moment in de auto bevond. Uit die bewijsvoering kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat het opzet van de verdachte ten tijde van het afleggen van haar verklaring was gericht op het afleggen van een valse verklaring daaromtrent. De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

2.5. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 6 juli 2010.

1 De vindplaatsen van de bewijsmiddelen waarop deze overweging steunt, zijn niet opgenomen in dit arrest.