Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM4991

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
08/02418
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM4991
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beslissing op verweer. De aanvulling op het verkorte arrest houdt in dat ten onrechte in het verkorte arrest niet de beslissing op een verweer t.a.v. de (on)geldigheid van de dgv. is opgenomen. HR: Het verkorte arrest houdt in strijd met art. 358.3 en 5 jo. art. 415 Sv geen gemotiveerde beslissing in op een ter terechtzitting gevoerd verweer t.a.v. de (on)geldigheid van de dgv. Dat verzuim behoeft i.c. echter niet tot cassatie te leiden, nu het Hof het verweer slechts had kunnen verwerpen aangezien het aangevoerde niet leidt tot nietigheid van de dgv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/994
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juli 2010

Strafkamer

nr. S 08/02418

ABG/ES

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 mei 2008, nummer 23/006665-07, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.C. Meijer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal volstaan met de vaststelling dat zich een overschrijding heeft voorgedaan van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, en het beroep voor het overige zal verwerpen.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof niet in het verkorte arrest, maar eerst in de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv, heeft beslist op het verweer dat de inleidende dagvaarding nietig dient te worden verklaard.

2.2.1. Blijkens de inleidende dagvaarding is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

"1. zij op of omstreeks 23 oktober 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 1], althans een medewerker van de Belastingdienst Amsterdam, en/of de Belastingdienst Amsterdam te bewegen tot de afgifte van een officieel schrijven/document (met daarop een sofinummer vermeld), in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan voornoemde [betrokkene 1], althans aan een medewerker van de Belastingdienst Amsterdam, een vals en/of vervalst (portugees) paspoort (op naam van [verdachte] en met paspoortnummer [A000001]) heeft overhandigd en/of gegeven;

(artikel 326 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

2. zij op of omstreeks 23 oktober 2007 te Amsterdam in het bezit was en/of gebruik gemaakt heeft van een (Portugees) paspoort (op naam van [verdachte] en met paspoortnummer [A000001]), in elk geval van een reisdocument, waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het vals of vervalst was, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat het voornoemde paspoort op naam stond van [betrokkene 2] en voorzien was van een pasfoto van haar, verdachte, en/of (daarbij) het voornoemde paspoort afwijkend was van een origineel (Portugees) paspoort wat betreft de kleur en/of de detaillering en/of het basismateriaal en/of de druktechnieken en/of de beveiligingstechnieken;

(artikel 231 wetboek van Strafrecht)."

2.2.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 mei 2008 heeft de raadsman - voor zover hier van belang - het volgende aangevoerd:

"De inleidende dagvaarding dient nietig te worden verklaard wat het onder 1 tenlastegelegde feit betreft, aangezien een gedeelte van dit feit tevens in het onder 2 tenlastegelegde feit wordt tenlastegelegd, te weten het gebruik maken van een vals paspoort."

2.2.3. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdt het volgende in:

"Ten onrechte is in het verkorte arrest niet opgenomen de beslissing op een uitdrukkelijk voorgedragen verweer zoals dat is weergegeven in het proces-verbaal ter terechtzitting van het hof van 15 mei 2008. Deze omissie moet worden betreurd. Aangenomen moet worden dat het hof dit verweer -dat door de raadsman kennelijk in het verkeerde vat is gegoten- slechts had kunnen verwerpen. Immers, het feit dat op de inleidende dagvaarding onder 2. ten laste is gelegd is geënt op het misdrijf van artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het op die dagvaarding onder l. ten laste gelegde feit is geënt op artikel 326 van dat wetboek. Gelet op de verschillende (rechts)belangen die deze bepalingen beogen te beschermen staat geen rechtsregel eraan in de weg dat de aan de verdachte verweten gedragingen in de sleutel van twee feiten aan hem wordt verweten. Overigens voldoen de ten laste gelegde feiten aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering."

2.3. Het hiervoor onder 2.2.2 weergegeven verweer is een verweer waarop het Hof ingevolge art. 358, derde en vijfde lid, in verbinding met art. 415 Sv op straffe van nietigheid in het verkorte arrest uitdrukkelijk een gemotiveerde beslissing had moeten geven. Nu dat arrest zodanige beslissing niet inhoudt, is het middel terecht voorgesteld. Dat verzuim behoeft in het onderhavige geval echter niet tot cassatie te leiden, nu het Hof het verweer slechts had kunnen verwerpen aangezien het aangevoerde niet leidt tot nietigheid van de dagvaarding.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2. De klacht is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier maanden.

3.3 Het middel kan voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze drie maanden en drie weken beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 13 juli 2010.