Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM4109

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
08/03043
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM4109
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Door het verweer te verwerpen zoals het Hof heeft gedaan, is voldaan aan art. 359.2 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/874
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 juni 2010

Strafkamer

nr. 08/03043

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 juni 2008, nummer 22/006452-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het vierde middel

2.1. Het middel klaagt over de motivering van de verwerping van hetgeen namens de verdachte is aangevoerd.

2.2. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"1. hij in of omstreeks de periode van 1 juni tot en met 16 september 2005 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [a-straat 1]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1.398, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2. hij in of omstreeks de periode van 1 juni tot en met 16 september 2005 te Rijswijk, in een woning aan de [a-straat 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid energie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Eneco, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3. hij in of omstreeks de periode van 1 juni tot en met 16 september 2005 te Rijswijk, in een woning gelegen aan de [a-straat 1], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk (een) wand(en) en/of (een) plafond(s) en/of (een) v1oer(en) en/of (een) deur(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk

- die woning als hennepkwekerij in te richten en/of

- (daartoe) de ramen van de hobbyruimte/het atelier op de begane grond en/of de werkkamer op de eerste verdieping en/of van de gehele achterzijde van de woning op de tweede verdieping met multiplex af te dichten en/of af te kitten en/of

- (de) deuren uit de sponningen te trekken en/of

- (met aarde en/of vocht) de vloer(en) te besmeuren."

2.3. De bestreden uitspraak houdt onder meer het volgende in:

"Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep is van de zijde van de verdediging betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem tenlastegelegde feiten wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Ter adstructie van het betoog is door en namens de verdachte aangevoerd dat hij aanvankelijk de schuld op zich had genomen teneinde zijn zuster [betrokkene 2] tegen mogelijke represailles van de werkelijke daders te beschermen. Hij stelt dat zijn op 19 september 2005 bij de politie afgelegde verklaring geheel door hem zelf verzonnen is en dat hij zulks ook "off the record" tegen de verhorende verbalisant [verbalisant 1] heeft gezegd. De verdachte zou in feite eerst op de dag voor de aanhouding van zijn zuster van de aanwezigheid van de hennepkwekerijen op de hoogte zijn geraakt, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken, alsmede op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het volgende komen vast te staan.

Naar aanleiding van klachten van buurtbewoners heeft de politie op 18 september 2005 een onderzoek ingesteld in een pand gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats]. Voornoemd pand behoort in eigendom toe aan [betrokkene 1]. De verdachte had het pand op naam van zijn bedrijf en ten behoeve van zijn zuster [betrokkene 2] via een makelaar gehuurd.

Tijdens het onderzoek in eerdergenoemd pand heeft de politie in twee ruimtes in de woning hennepkwekerijen aangetroffen; in totaal stonden er 1386 potten met afgeknipte wortels alsmede twaalf hennepplanten. Daarop is de in het pand aanwezige [betrokkene 2] aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet.

Op 18 september 2005 te 19.42 uur heeft [betrokkene 2] tegenover de politie - zakelijk weergegeven - verklaard:

- dat haar broer [verdachte] het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] had gehuurd;

- dat hij haar had aangeboden om in het pand te gaan wonen;

- dat hij haar daarbij tevens had verteld dat er in dat pand een hennepkwekerij zou komen;

- dat zij het pand op 1 juni 2005 heeft betrokken, waarna korte tijd later de sloten van de voordeur zijn veranderd en er 'gasten', waaronder haar broer, zijn gekomen om de hennepkwekerijen op te bouwen;

- dat het opbouwen daarvan twee maanden heeft geduurd;

- dat zij zou meedelen in de opbrengst van de oogst;

- dat zij voor het pand geen huur hoefde te betalen;

- dat zij zelf nooit in de hennepkwekerijen kwam; zij had zelfs geen sleutels van de ruimtes waar de kwekerijen zich bevonden;

- dat als er problemen waren zij ene [voornaam] moest bellen die dan alles zou regelen;

- dat, nadat zij melding had gedaan van de omstandigheid dat op 16 september 2005 de politie aan de deur was geweest, die 'gasten' hadden besloten om de planten weg te halen;

- dat zij denkt dat niet haar broer, maar die 'gasten' de eigenaren van de kwekerijen zijn.

Op 19 september 2005 heeft de verdachte zich - na een telefonisch verzoek van de politie daartoe - op het politiebureau gemeld teneinde een verklaring af te leggen. Zijn aldaar afgelegde verklaring houdt - zakelijk weergegeven - in het navolgende:

- dat hij het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] via een makelaar heeft gehuurd;

- dat voornoemd pand door zijn zuster [betrokkene 2] wordt bewoond;

- dat hij in verband met de hoge huurpenningen op het idee was gekomen om een hennepkwekerij in het pand te beginnen;

- dat 'ze' in juni 2005 zijn begonnen met het opzetten van een kwekerij;

- dat hij alles alleen heeft opgebouwd en dat daar geen anderen bij betrokken zijn geweest;

- dat hij naar aanleiding van een alarmerend telefoontje van zijn zuster had besloten om de planten af te knippen;

- dat hij het aantal hennepplanten op ongeveer 1500 schat;

- dat die planten er op 16 september 2005 drie à vier weken in stonden;

- dat hij begin juni 2005 was begonnen met het opbouwen van de kwekerij en dat hij daar eind juli 2005 mee klaar was;

- dat hij de sleutels van de kamers waar de hennep in stond in zijn bezit had.

Het hof acht op grond van bovengenoemde verklaringen - in samenhang bezien met de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Daarbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking de omstandigheid dat de verdachte in zijn tegenover de politie afgelegde verklaring details heeft genoemd die uitsluitend kunnen worden teruggebracht tot daderwetenschap; zijn zuster heeft immers verklaard geen toegang tot de hennepkwekerijen te hebben gehad. Voorts vinden de door de verdachte genoemde details steun in andere door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

Dat de verdachte tegen de verhorende verbalisant [verbalisant 1] expliciet zou hebben gezegd dat wat hij ging verklaren 'larie' was en volledig in strijd met de waarheid, is door deze laatste bovendien als getuige ter terechtzitting in hoger beroep onder ede uitdrukkelijk betwist.

Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof de - latere - verklaring van de verdachte dat hij het hele verhaal inclusief de details heeft verzonnen dan ook niet geloofwaardig.

Ten overvloede overweegt het hof dat uit de tegenover de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2] niet blijkt dat zij onder druk van derden heeft gehandeld. Ook ter terechtzitting in hoger beroep is dat naar 's hofs oordeel niet voldoende aannemelijk geworden."

2.4. Het Hof heeft door te overwegen als hiervoor weergegeven, voldaan aan het motiveringsvoorschrift van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv.

2.5. Het middel faalt.

3. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert het aantal uren taakstraf in die zin dat dit 171 uren bedraagt;

vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 85 dagen beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 29 juni 2010.