Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM4026

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
09/04704 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Anders dan in de aanvrage tot uitgangspunt wordt genomen, houdt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep noch het besluit van B&W het oordeel in dat aanvrager zijn inlichtingenplicht niet heeft verzaakt. Aanvrage ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 659
NJB 2010, 1174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 mei 2010

Strafkamer

nr. 09/04704 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 30 juli 2007, nummer 21/000541-07, ingediend door:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 6 februari 2007 - de aanvrager ter zake van "in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of een tegemoetkoming meermalen gepleegd" veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en een werkstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. Ten laste van de aanvrager is bewezenverklaard dat:

"verdachte in de periode van 6 oktober 2000 tot 21 oktober 2004, in Nederland, telkens als curator en bewindvoerder van [betrokkene 1], in strijd met een verdachte krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, (te weten de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens aan de gemeente Renkum, dan wel aan het bestuur van die gemeente te verstrekken, immers heeft verdachte telkens niet(volledig) aan genoemde instanties gemeld - zakelijk weergegeven - dat [betrokkene 1] over vermogen heeft beschikt en heeft kunnen beschikken hetwelk het (zogenaamde) bescheiden vermogen (ver) te boven ging en dat [betrokkene 1] over een of meer bankrekeningen heeft beschikt en/of heeft kunnen beschikken welke bij de gemeente Renkum niet bekend waren en/of dat [betrokkene 1] inkomsten heeft genoten uit onbekende bron(nen), terwijl deze feiten kunnen strekken tot bevoordeling van die [betrokkene 1], zulks terwijl verdachte wist, of redelijkerwijs moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van [betrokkene 1]s recht op verstrekking en/of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte en/of duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming."

3.2. Deze zaak kenmerkt zich door het volgende. De aanvrager is curator van zijn zuster [betrokkene 1], die een bijstandsuitkering ontvangt. Bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum is het recht op bijstand van [betrokkene 1] van 6 oktober 2000 tot 21 oktober 2004 ingetrokken, omdat op eerstgenoemde datum op een rekening van [betrokkene 1] een bedrag was gestort dat uitging boven het voor haar op dat moment vrij te laten vermogen, terwijl nadien over haar banktegoeden onvoldoende inlichtingen zijn verstrekt door haarzelf dan wel haar curator. Na bezwaar en beroep heeft de Centrale Raad van Beroep genoemd besluit vernietigd omdat, kort samengevat, [betrokkene 1] niet over haar banktegoeden kon beschikken. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum heeft daarop bij besluit van 17 november 2008 het besluit tot terugvordering ingetrokken.

3.3. In de aanvrage wordt aangevoerd dat uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en het naar aanleiding daarvan genomen besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum volgt dat de aanvrager, als curator van zijn zuster, zijn inlichtingenplicht niet heeft geschonden.

3.4.1. Aan de aanvrage zijn, naast de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, voor zover hier van belang, de volgende stukken gehecht:

(i) een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 november 2007;

(ii) een nieuw besluit op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum van 17 november 2008.

3.4.2. De hiervoor bedoelde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Intrekking van 6 oktober 2000 tot 21 oktober 2004

Deze intrekking is gebaseerd op het standpunt dat op 6 oktober 2000 op een bankrekening van appellante een bedrag is gestort, dat uitging boven het voor appellante op dat moment geldende vrij te laten vermogen, terwijl nadien over de banktegoeden van appellante onvoldoende inlichtingen zijn verstrekt door appellante dan wel haar curator om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Namens appellante is daartegen ingebracht dat zij, nu zij onder curatele is gesteld, niet in redelijkheid kan beschikken over tegoeden op haar bankrekening(en), zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB zodat van vermogen boven de vermogensgrens geen sprake kan zijn.

Die grief slaagt. Daargelaten of van de zijde van appellante onvoldoende inlichtingen zijn verstrekt die voor de bijstandsverlening van belang waren, is ook de Raad van oordeel dat van appellante, gegeven de omstandigheid dat zij onder curatele is gesteld, niet kan worden gezegd dat zij ten tijde hier van belang feitelijk de beschikking had noch redelijkerwijs kon beschikken over op haar bankrekening(en) staande tegoeden. Appellante is immers als gevolg van de curatele onbekwaam rechtshandelingen te verrichten, tenzij toestemming is verleend. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat de curator heeft verklaard dat hij appellante maandelijks voorzag van zakgeld, maar niet instemde met haar verzoeken dat bedrag substantieel te verhogen dan wel met toekenning van andere eenmalig gevraagde extra bedragen. Nu de Raad bij de toepassing van de hier aan de orde zijnde bepaling de feitelijke situatie doorslaggevend acht, gaat hij voorbij aan de overweging van de rechtbank dat appellante via haar curator geacht kan worden te beschikken over haar gelden. De Raad verwijst daarbij naar zijn op bewindvoering betrekking hebbende uitspraak van 1 juli 2003, LJN AI0640. Dit betekent dat van overschrijding van de vermogensgrens geen sprake kon zijn, zodat het College niet bevoegd was om op die grond tot intrekking van de bijstand over te gaan. Die intrekking kan dan ook, eveneens wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, geen stand houden."

3.4.3. Het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Wij hebben besloten ons besluit tot terugvordering ad € 22.163,99 in te trekken. Wij hebben tevens besloten u over de periode van 21 oktober 2004 tot en met 22 juni 2005 alsnog bijstand toe te kennen. Het betreft algemene bijstand inclusief vakantietoeslag en bijzondere bijstand voor beloningskosten curator, vervoers- en overige kosten curator en opslagkosten. Dit onderdeel van ons besluit wijkt niet af van ons besluit van 14 april 2008. De bijstand is reeds aan u uitbetaald."

3.5. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.6. Anders dan in de aanvrage tot uitgangspunt wordt genomen, houdt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep noch het besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum het oordeel in dat de aanvrager zijn inlichtingenplicht niet heeft verzaakt. Reeds daarom kan hetgeen aan de aanvrage ten grondslag is gelegd niet worden aangemerkt als een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2º, Sv.

3.7. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken op 11 mei 2010.