Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM3971

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-06-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
08/04613
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM3971
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verstekverlening. Het Hof heeft zijn oordeel dat verdachte t.t.v. de tz. in h.b. niet was gedetineerd, gebaseerd op de inhoud van een formulier waarin staat vermeld dat verdachte 3 dagen vóór die tz. en op de dag van de tz. was gedetineerd. Gelet daarop, is dat oordeel niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/829
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 juni 2010

Strafkamer

Nr. 08/04613

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 februari 2008, nummer 23/005379-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de verdachte, aangezien de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde was gedetineerd en hij niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij die behandeling aanwezig te zijn.

2.2. De stukken van het geding houden, voor zover hier van belang, het volgende in:

(i) De akte van uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting van het Hof van 7 februari 2008 houdt in dat deze op 21 december 2007 is uitgereikt aan de Griffier van de Rechtbank te Amsterdam. Op dezelfde datum is een afschrift van de appeldagvaarding verzonden aan dit GBA-adres van de verdachte en is op grond van art. 588a Sv eveneens een afschrift verzonden aan het door de verdachte opgegeven adres "[a-straat 1], [0000 AA] [plaats]".

(ii) Aan de akte van uitreiking van de appeldagvaarding is een formulier gehecht waaruit blijkt dat "bij dagvaarden in hoger beroep" in de Verwijs Index Personen (VIP) gecontroleerd is of de verdachte gedetineerd was, hetgeen niet het geval bleek te zijn. Voorts houdt dat formulier in dat drie dagen vóór de terechtzitting en op de dag van de terechtzitting door middel van raadpleging van de VIP is gecontroleerd of de verdachte gedetineerd was, hetgeen voor beide momenten het geval bleek te zijn.

(iii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2008 houdt onder meer in:

"De Advocaat-Generaal legt over een formulier waaruit blijkt dat zowel op de datum van het uitreiken van de dagvaarding als op drie dagen voor de zitting van heden en heden door middel van geautomatiseerde informatiesystemen (VIP) is gecontroleerd of verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval bleek te zijn.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het gerechtshof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan."

2.3. Het door de Advocaat-Generaal bij het Hof overgelegde formulier is kennelijk het hiervoor onder (ii) genoemde formulier.

2.4. Het Hof heeft zijn oordeel dat de verdachte ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep niet was gedetineerd, gebaseerd op de inhoud van het hiervoor onder (ii) genoemde formulier. Nu in dat formulier staat vermeld dat de verdachte drie dagen vóór die terechtzitting en op de dag van de terechtzitting was gedetineerd, is dat oordeel niet begrijpelijk. Het middel slaagt derhalve.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 22 juni 2010.