Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM3952

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-07-2010
Datum publicatie
09-07-2010
Zaaknummer
09/00339
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM3952
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2008:BK5704, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Aansprakelijkheidsverzekering; onder ‘vorderingen tot schadevergoeding op derden ter zake van door de verzekerde geleden schade’ als bedoeld in art. 7:962 BW is ook begrepen het verhaalsrecht dat de verzekerde ontleent aan art. 6:10 en 6:12 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/899
RAV 2010/86
NJ 2010/557 met annotatie van M.M. Mendel
NJB 2010, 1537
JWB 2010/306
JA 2010/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 juli 2010

Eerste Kamer

09/00339

EV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

RVS SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Ede,

EISERES tot cassatie,

advocaten: mrs. N.T. Dempsey en B.T.M. van der Wiel,

t e g e n

SCHELDEBOUW B.V.,

voorheen Permasteelisa Central Europe B.V., voorheen [A] N.V.,

gevestigd te Middelburg

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als RVS en [A].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 73840/HA ZA 02-332 van de rechtbank Maastricht van 24 mei 2006,

b. het arrest in de zaak HD 103.004.135 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 september 2008.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft RVS beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [A] is verstek verleend.

De zaak is voor RVS toegelicht door haar advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het arrest dat het hof 's-Hertogenbosch op 30 september 2008 heeft uitgesproken.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) In opdracht van Winkel Beleggingen Nederland B.V. hebben [B] BV als aannemer en [A] als onderaannemer werkzaamheden verricht op het dak van winkelcentrum City Plaza te Nieuwegein.

(ii) Op 13 juni 1998 heeft de toen vijftien jaar oude [betrokkene 1] tezamen met een vriend op de bouwplaats brand gesticht. Daarbij hebben zij gebruik gemaakt van een vol blik hoogst brandbare reinigingsvloeistof dat daar door (medewerkers van) [A] was achtergelaten. Door deze brand is schade ontstaan, die door de CAR-verzekeraars van het bouwproject is vergoed.

(iii) De CAR-verzekeraars hebben verhaal gezocht op [betrokkene 1], die op zijn beurt RVS als zijn aansprakelijkheidsverzekeraar heeft aangesproken. RVS heeft de aansprakelijkheid van [betrokkene 1] erkend en alle schade aan de CAR-verzekeraars vergoed.

3.2 Stellende dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld doordat het blik met reinigingsvloeistof voor [betrokkene 1] zonder meer bereikbaar was en zij aldus, naast [betrokkene 1], hoofdelijk aansprakelijk is voor de daaruit voortgevloeide schade, vordert RVS in dit geding op grond van subrogatie in de rechten van [betrokkene 1] een deel, groot € 331.619,64, van de door haar aan de CAR-verzekeraars uitgekeerde schadevergoeding. De rechtbank heeft RVS haar vordering ontzegd op grond van het oordeel, kort gezegd, dat RVS zich niet op subrogatie kan beroepen. Het hof heeft het vonnis bekrachtigd. Met betrekking tot het beroep van RVS op subrogatie op de voet van art. 7:962 lid 1 BW overwoog het hof:

"4.12 De aangehaalde bepaling heeft het oog op vorderingen op derden tot schadevergoeding ter zake van door de verzekerde geleden schade. De vordering die in het onderhavige geval aan de orde is en waarvan RVS stelt dat deze haar op grond van subrogatie toekomt, is de gestelde vordering van [betrokkene 1] op [A] als hoofdelijk medeschuldenaar ten opzichte van de CAR-verzekeraars. Die vordering kan naar het oordeel van het hof evenwel niet worden aangemerkt als een vordering tot schadevergoeding ter zake van door hem, dat wil zeggen: [betrokkene 1], geleden schade. De schade die door de brand is veroorzaakt, is geleden door Winkel Beleggingen Nederland BV en vervolgens aan deze vergoed door de CAR-verzekeraars waardoor deze voor de schade zijn opgekomen en ter zake een verhaalsvordering voor deze schade hebben op de veroorzaker(s) van de brand. De vordering die [betrokkene 1] in de visie van RVS op [A] heeft, heeft geen betrekking op schadevergoeding ter zake van door hem geleden schade en komt daarom niet voor subrogatie op grond van artikel 7:962 lid 1 BW in aanmerking. (...)"

3.3 Bij de beoordeling van de tegen het arrest gerichte klachten wordt vooropgesteld dat in cassatie tot uitgangspunt moet dienen dat [betrokkene 1] en [A] op de voet van art. 6:102 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de brandschade. Voorts dat het hof zijn oordeel niet hierop heeft doen steunen dat de omstandigheid dat RVS de schadepenningen rechtstreeks aan de CAR-verzekeraars heeft uitgekeerd (a) zou meebrengen dat de desbetreffende schuld niet ten laste van [betrokkene 1] zou zijn gedelgd in de zin van art. 6:10 en 6:12 BW, of (b) in de weg zou staan aan subrogatie. De hiertegen gerichte onderdelen VIII en IX kunnen bij gebrek aan feitelijke grondslag dus niet tot cassatie leiden. Ten overvloede wordt overwogen dat de aan deze onderdelen ten grondslag liggende rechtsopvatting juist is. Een hoofdelijk aansprakelijke schuldenaar wiens aansprakelijkheidsverzekeraar de schade heeft vergoed, staat voor de toepassing van art. 6:10 en 6:12 gelijk met een schuldenaar die de schade uit zijn eigen vermogen heeft vergoed, zodat ook in dat geval de schuld ten laste van hem is gedelgd in de zin van die bepalingen, ongeacht bovendien of die assuradeur de schadepenningen aan de schuldenaar, als zijn verzekerde, of rechtstreeks aan de schuldeiser heeft uitgekeerd. Die omstandigheden houden immers verband met het bestaan van de aansprakelijkheidsverzekering van de betrokken schuldenaar, die zijn medeschuldenaren niet aangaat en waarvan zij niet behoren te profiteren.

3.4.1 De centrale klacht van het middel, gericht tegen rov. 4.12, is, na een inleiding in onderdeel I, neergelegd in onderdeel II en verder uitgewerkt in de onderdelen III-VII. Deze klacht houdt in dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 7:962 lid 1 BW, in de eerste plaats waar het betreft de betekenis van het begrip 'schade' in de passage: 'indien de verzekerde ter zake van door hem geleden schade vorderingen tot schadevergoeding op derden heeft'. Betoogd wordt dat het hof heeft miskend dat daaronder ook begrepen is schade die daarin bestaat dat de verzekerde aansprakelijk wordt gesteld. In de tweede plaats omdat, naar het onderdeel aanvoert, het hof heeft miskend dat onder 'vorderingen tot schadevergoeding op derden ter zake van door de verzekerde geleden schade' als in art. 7:962 bedoeld ook is begrepen het verhaalsrecht dat de verzekerde ontleent aan art. 6:10 en 6:12.

3.4.2 Deze klachten treffen doel. De schade die RVS krachtens de aansprakelijkheidsverzekering voor [betrokkene 1] heeft vergoed is schade van [betrokkene 1] zelf, te weten de brandschade waarvoor hij hoofdelijk aansprakelijk was. Die aansprakelijkheid zou, was van de verzekering geen sprake geweest, hebben meegebracht dat [betrokkene 1] het volle bedrag van die schade aan de - door subrogatie in de rechten van de benadeelden getreden - CAR-verzekeraars had dienen te vergoeden, waarna hij, op de voet van art. 6:10 en 6:12, verhaal op [A] zou hebben kunnen zoeken voor dat gedeelte van de schade dat [A] in hun onderlinge verhouding aangaat.

Die verhaalsvordering moet worden aangemerkt als een 'vordering tot schadevergoeding ter zake van door de verzekerde geleden schade' als bedoeld in art. 7:962.

In zoverre slaagt ook onderdeel VI. De onderdelen IV en V wijzen er terecht op dat een andersluidende opvatting bovendien niet verenigbaar zou zijn met het bepaalde in art. 6:197 lid 2, aanhef en onder a, BW en de daarop in de parlementaire geschiedenis gegeven toelichting zoals vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.8, welke bepaling met betrekking tot de daarin vermelde aansprakelijkheden subrogatie krachtens art. 7:962 uitsluit, behalve in gevallen waarin de verzekeraar de uitkering heeft verricht op grond van een aansprakelijkheidsverzekering en sprake is van een mede-aansprakelijke derde. Die opvatting zou bovendien de mede-aansprakelijke schuldenaar [A] laten profiteren van de door [betrokkene 1] gesloten verzekering, terwijl art. 7:962 juist een dergelijk profiteren beoogt te voorkomen.

3.4.3 Het vorenstaande brengt mee dat RVS als gevolg van haar betaling van de volledige schadevergoeding aan de CAR-verzekeraars, ingevolge art. 7:962 is gesubrogeerd in de rechten die [betrokkene 1] tegenover [A] ontleent aan art. 6:10 en 6:12, derhalve in diens aanspraak op betaling van dat gedeelte van de brandschade dat in hun onderlinge verhouding [A] aangaat.

3.5 Het bestreden arrest kan derhalve niet in stand blijven. De overige onderdelen behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 september 2008;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [A] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van RVS begroot op € 5.127,98 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 9 juli 2010.