Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM3914

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-06-2010
Datum publicatie
25-06-2010
Zaaknummer
08/04401
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM3914
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Verjaring vordering uit vaststellingsovereenkomst; opeisbaarheid; arbitrage; toepasselijkheid art. 3:316 BW ondanks vernietiging vonnis in arbitrale procedure waarin de vordering is ingesteld; geen stuiting verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/807
NJ 2010/372
NJB 2010, 1411
TVA 2011/46
JWB 2010/271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 juni 2010

Eerste Kamer

08/04401

EE/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Eiseres 2],

gevestigd te Amsterdam,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Verweerster 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [Verweerder 3],

wonende te [woonplaats],

4. [Verweerster 4],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Eisers tot cassatie zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en ieder afzonderlijk als [eiser 1] en [eiseres 2]. Verweerders in cassatie zullen hierna ook worden aangeduid als [verweerder] c.s. en ieder afzonderlijk als [verweerder 1], [verweerster 2], [verweerder 3] en [verweerster 4].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 95277/HA ZA 03-1062 van de rechtbank Haarlem van 18 januari 2006,

b. het arrest in de zaak 106.004.845/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 19 juni 2008.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] c.s. hebben ten aanzien van onderdeel 1 tot referte geconcludeerd en ten aanzien van de onderdelen 2 tot en met 4 tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door mr. M.J. Schenck en mr. R.L.M. van Opstal, advocaten te Amsterdam. Voor [verweerder] c.s. is de zaak toegelicht door hun advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 19 juni 2008 voor zover [eiser] c.s. daarin niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun hoger beroep van het in reconventie gewezen vonnis en tot verwijzing en voor het overige tot verwerping van het cassatieberoep.

Mr. R.L.M. van Opstal heeft bij brief van 21 mei 2010 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser 1] is enig aandeelhouder van [eiseres 2]. [Verweerder 1] is enig aandeelhouder van [verweerster 2] en [verweerder 3] is enig aandeelhouder van [verweerster 4].

(ii) Vanaf mei 1990 tot 22 februari 1993 bestuurden [eiseres 2], [verweerster 2] en [verweerster 4] een aantal management-B.V.'s.

(iii) Op 22 februari 1993 is [eiseres 2] met onmiddellijke ingang ontslagen als bestuurder van deze management-B.V.'s. Naar aanleiding hiervan zijn tussen partijen geschillen ontstaan die zijn voorgelegd aan de rechtbank Amsterdam. Tijdens een mondelinge behandeling voor deze rechtbank op 20 juni 1994 hebben partijen een minnelijke regeling getroffen met betrekking tot de in de desbetreffende procedure door [eiser] c.s. in reconventie gevorderde afname van de door [eiseres 2] gehouden aandelen in enkele management-B.V.'s, te weten Transom Management B.V. (hierna ook: Transom) en Intercapital Venture Management B.V. (hierna ook: IVM). Het proces-verbaal van de zitting houdt onder meer het volgende in:

"Voorts komen partijen omtrent de aandelen-overdracht (...) het volgende overeen:

- Er geldt een afnameplicht voor [verweerster 2] c.s. en een overdrachtsplicht voor [eiseres 2], voor de aandelen van [eiseres 2] in Transom Management B.V. en Intercapital Venture Management B.V.

- De prijs van de aandelen zal worden bepaald door de volgende drie registeraccountants (...)

- Als peildatum voor de waardebepaling van de aandelen geldt 31 december 1992.

(...)

[Eiseres 2] verzoekt de rechtbank nog niet op de vordering tot afname van de aandelen (onder A van de eis in reconventie) te beslissen, in afwachting van de uitwerking van voormelde minnelijke regeling over de aandelenoverdracht."

(iv) De minnelijke regeling heeft niet geleid tot een oplossing van het geschil. Tijdens de in 1996 nog voor de rechtbank Amsterdam aanhangige procedure zijn partijen vervolgens overeengekomen hun geschillen door middel van arbitrage te beslechten. Zij hebben daartoe op 25 juni 1996 een "Overeenkomst tot arbitrage" gesloten. De overeenkomst betrof onder meer aanspraken van [eiseres 2] op gederfde managementfee en aanspraken van [eiser 1] op vergoeding van werkzaamheden als commissaris.

Op 12 juni 1997 hebben de arbiters vonnis gewezen. Daarbij zijn [verweerder] c.s. veroordeeld tot betaling aan [eiser] c.s. van een bedrag van ƒ 1.971.971,57.

(v) Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 mei 2002 is het arbitrale vonnis vernietigd wegens strijd met fundamentele beginselen van procesrecht en strijd met de openbare orde.

3.2 Bij inleidende dagvaarding van 22 augustus 2003 hebben [eiser] c.s. de onderhavige procedure tegen [verweerder] c.s. aanhangig gemaakt. Zij hebben onder meer de veroordeling gevorderd van [verweerder] c.s. tot betaling aan [eiseres 2] van, kort gezegd, een bedrag van € 1.478.415,94 subsidiair € 703.359,33 met betrekking tot de overdracht van de aandelen in Transom en IVM. [Eiser] c.s. hebben aan die vordering ten grondslag gelegd dat zij op 20 juni 1994 met [verweerder] c.s. zijn overeengekomen dat [verweerster 2] en [verweerster 4] de door [eiseres 2] gehouden aandelen in IVM en Transom zouden overnemen tegen een door drie registeraccountants vast te stellen prijs. [Verweerder] c.s. hebben primair aangevoerd dat de vordering van [eiser] c.s. is verjaard. Zij hebben daartoe, voor zover thans van belang, gesteld dat [eiser] c.s. zich beroepen op afspraken uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst van 20 juni 1994, zodat de verjaringstermijn van art. 3:307 BW ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding ruimschoots was verstreken. [Verweerder] c.s. hebben voorts een reconventionele vordering ingesteld strekkende tot veroordeling van [eiseres 2] tot betaling van een bedrag van € 381.175,38 op de grond dat [eiseres 2] zich niet heeft gehouden aan investeringsafspraken.

De rechtbank heeft in conventie het beroep op verjaring gehonoreerd en de vordering van [eiser] c.s. integraal afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank [eiser] c.s. toegelaten tot bewijs.

Het hof heeft het in conventie gewezen vonnis bekrachtigd en [eiser] c.s. in hun hoger beroep tegen het in reconventie gewezen vonnis niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat "het in reconventie gewezen vonnis (...) een tussenvonnis is en door de rechtbank tussentijds appel hiertegen niet is opengesteld". (rov. 4.8)

3.3 Onderdeel 1, dat opkomt tegen rov. 4.8, is terecht voorgesteld. Volgens vaste rechtspraak kan wanneer een vonnis in conventie uit een eindvonnis bestaat en in reconventie uit een tussenvonnis (of omgekeerd), terstond hoger beroep worden ingesteld van het gehele vonnis.

Of de rechtbank hoger beroep heeft opengesteld tegen het tussenvonnis, is in een zodanig geval niet van belang. Het oordeel van het hof is derhalve onjuist.

3.4.1 Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof dat de vordering van [eiser] c.s. is verjaard.

Het hof heeft (in rov. 4.6.3) op dit punt de beslissing van de rechtbank tot de zijne gemaakt alsmede de daarvoor in het vonnis onder 5.5 en volgende gegeven motivering. De rechtbank heeft met betrekking tot het beroep op verjaring het volgende overwogen.

"5.4 [Eiser] c.s. hebben hiertegenover betoogd dat hun vorderingen niet zijn gestoeld op de nakoming van de minnelijke regeling van 20 juni 1994, maar op de daaruit voortvloeiende koopovereenkomst onder de opschortende tijdsbepaling dat de accountants de koopprijs van de aandelen dienen vast te stellen. Zij betogen dat, nu het arbitrale vonnis van 12 juni 1997 is vernietigd, de waarde van de aandelen nog niet is vastgesteld, zodat de opschortende voorwaarde niet is vervuld en er derhalve (nog) geen opeisbare verbintenissen zijn. Aldus kan volgens [eiser] c.s. ook geen sprake zijn van verjaring.

5.5 Dit betoog van [eiser] c.s. kan niet worden gevolgd. Zou juist zijn dat er thans geen opeisbare verbintenissen zijn, dan zouden de vorderingen van [eiser] c.s. reeds om die reden dienen te worden afgewezen. De vordering van [eiser] c.s. met betrekking tot de overdracht van de aandelen komt neer op een vordering tot vaststelling van de koopprijs van de aandelen, gekoppeld aan een vordering tot nakoming van de aldus voltooide koopovereenkomst van de aandelen. In paragraaf 2.12 en 4.1. van de conclusie van dupliek in reconventie erkennen [eiser] c.s. dat de vaststelling van de waarde van de aandelen deel uitmaakt van de onderhavige procedure. Aldus vorderen [eiser] c.s. nakoming van de bij de vaststellingsovereenkomst d.d. 20 juni 1994 in het leven geroepen verplichting de rechtstoestand teweeg te brengen die ingevolge de vaststellingsovereenkomst tussen partijen dient te bestaan (te beginnen bij de verplichting van partijen om de waardering van de aandelen te doen vaststellen). Nu de vordering tot nakoming van deze verplichting direct opeisbaar was, is de verjaringstermijn voor de vordering tot nakoming van deze verplichting aangevangen op 20 juni 1994."

3.4.2 Het onderdeel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen dit door het hof overgenomen oordeel van de rechtbank. Het onderdeel komt erop neer dat van verjaring geen sprake kan zijn, nu de verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst niet opeisbaar zijn. Het onderdeel betoogt daartoe dat de vaststellingsovereenkomst inhoudt dat drie registeraccountants de koopprijs van de aandelen zouden bepalen. Aangezien dit nog niet is geschied, is de vordering niet opeisbaar, aldus het onderdeel.

Het onderdeel faalt. Het hof heeft - door de overwegingen van de rechtbank tot de zijne te maken - de op 20 juni 1994 gesloten overeenkomst aldus uitgelegd dat partijen zich jegens elkaar (onder meer) hebben verbonden de waardering van de door [eiseres 2] over te dragen aandelen te doen plaatsvinden door drie registeraccountants en heeft geoordeeld dat deze verplichting direct opeisbaar was. Het oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

3.5.1 Onderdeel 3 betreft de verwerping door het hof van het betoog van [eiser] c.s. dat de verjaring is gestuit door het aanhangig maken van de arbitrale procedure.

Het hof heeft overwogen dat de vernietiging van het arbitrale vonnis van 12 juni 1997 bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 mei 2002 meebrengt dat geoordeeld moet worden dat de door [eiser] c.s. ingestelde eis in de arbitrale procedure - uiteindelijk - niet geleid heeft tot toewijzing van die eis. Nu [eiser] c.s. niet binnen zes maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van 1 mei 2002 hun vordering opnieuw hebben ingesteld, is de verjaring van de rechtsvordering niet gestuit. (rov. 4.6.1)

Het hof overwoog vervolgens:

"4.6.2 Niet valt in te zien waarom (...) artikel 3:316 lid 2 BW niet van toepassing zou zijn: de door [eiser] c.s. in het arbitrale geding ingestelde vordering is immers niet toegewezen.

Dat deze vordering niet aanstonds bij het arbitrale vonnis is afgewezen, maar dat de afwijzing het gevolg is van de vernietiging van het arbitrale vonnis brengt niet mee dat art. 3:316 BW (...) toepassing mist."

3.5.2 Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat in een geval als het onderhavige, waarin een in een arbitraal geding ingestelde vordering bij arbitraal vonnis is toegewezen, art. 3:316 lid 2 BW niet van toepassing is. Hieraan doet niet af, aldus het onderdeel, dat het arbitrale vonnis in een later stadium wordt vernietigd. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld.

Een redelijke uitleg van art. 3:316 lid 2 BW brengt, mede gelet op de strekking van deze bepaling, mee dat niet alleen als de ingestelde eis niet tot toewijzing leidt, maar ook als de eis aanvankelijk is toegewezen doch het desbetreffende arbitrale vonnis nadien wordt vernietigd, de verjaring van de rechtsvordering slechts is gestuit indien binnen zes maanden nadat de uitspraak - in dat laatste geval: tot vernietiging van het arbitrale vonnis - in kracht van gewijsde is gegaan, een nieuwe eis wordt ingesteld die vervolgens tot toewijzing leidt. In aanmerking genomen dat door vernietiging van het arbitrale vonnis de door [eiser] c.s. ingestelde eis uiteindelijk niet is toegewezen, is het oordeel van het hof derhalve juist.

3.6 Onderdeel 4 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen behandeling.

3.7 Het hiervoor in 3.3 met betrekking tot onderdeel 1 overwogene brengt mee dat het arrest van het hof niet in stand kan blijven voor zover [eiser] c.s. daarbij niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun hoger beroep tegen het in reconventie gewezen vonnis. Nu [verweerder] c.s. de door onderdeel 1 bestreden beslissing van het hof niet hebben uitgelokt of verdedigd, zullen de kosten van het geding in cassatie worden gereserveerd.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 19 juni 2008 voor zover [eiser] c.s. daarbij niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun hoger beroep tegen het in reconventie gewezen vonnis;

verwijst het geding in zoverre naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

verwerpt het beroep voor het overige;

reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;

begroot deze kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van [eiser] c.s. op € 6.133,98 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris en aan de zijde van [verweerder] c.s. op € 6.052,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 25 juni 2010.