Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM3638

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
08/01889
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM3638
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn en betekening verstekmededeling. HR herhaalt daaromtrent relevante overwegingen uit HR LJN BD2578 en neemt voorts in aanmerking hetgeen in HR LJN ZD2099 is overwogen t.a.v. de op de verdachte rustende verplichting om te zorgen dat hij op de hoogte raakt van de inhoud van voor hem bedoelde stukken. I.c. kan niet worden gezegd dat de vertraging die is opgetreden vanaf de datum van de bestreden uitspraak tot de datum waarop cassatie is ingesteld valt toe te rekenen aan het OM, in aanmerking genomen dat de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend op de in art. 588.1.b.3° Sv voorziene wijze, het OM minstens 1 maal per jaar heeft getracht te achterhalen of verdachte inmiddels in de GBA was opgenomen en verdachte op geen enkel moment ingeschreven is geweest in de GBA. Van overschrijding van de redelijke termijn is derhalve geen sprake geweest.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 366
Wetboek van Strafvordering 588
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/951
NJ 2010/458
NBSTRAF 2010/323
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juli 2010

Strafkamer

nr. 08/01889

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 7 maart 2003, nummer 21/000801-02, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. F.J.E. Hogewind, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden nu het Openbaar Ministerie bij de betekening van de verstekmededeling inzake de bestreden uitspraak niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.

3.2. De stukken van het geding houden het volgende in:

(i) de verdachte heeft op 28 maart 2002 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 28 februari 2002; de akte rechtsmiddel houdt in dat de verdachte woont aan de [a-straat 1] te [woonplaats];

(ii) de bestreden, bij verstek gewezen uitspraak dateert van 7 maart 2003; het arrest houdt in dat de verdachte woont aan de [a-straat 1] te [woonplaats];

(iii) twee GBA-overzichten van respectievelijk 1 en 3 juli 2003 houden in dat de verdachte van 5 november 2001 tot 19 december 2002 stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [woonplaats], dat de verdachte sinds 19 december 2002 is "vertrokken naar land onbekend";

(iv) blijkens een akte van uitreiking is op 2 juli 2003 getracht de mededeling uitspraak inzake de bestreden uitspraak uit te reiken op het adres [a-straat 1] te [woonplaats]; omdat "volgens mededeling van degene die zich op het door mij ingevulde adres bevond, de geadresseerde daar niet meer woont noch verblijft" is de mededeling uitspraak op 3 juli 2003 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Arnhem en als gewone brief verstuurd naar [a-straat 1] te [woonplaats];

(v) blijkens een akte van uitreiking is de mededeling uitspraak op 21 januari 2005 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Arnhem omdat "van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is";

(vi) op 1 juli 2003, 3 juli 2003, 11 december 2003, 2 maart 2004, 13 mei 2004, 2 december 2004, 7 april 2005, 29 juli 2005, 27 december 2005, 28 juni 2006, 18 oktober 2006, 5 februari 2007, 2 mei 2007, 3 augustus 2007, 12 november 2007 en 3 maart 2008 heeft het Openbaar Ministerie in de Verwijs Index Personen (VIP) een controle gedaan waaruit telkens bleek dat de verdachte niet gedetineerd was en dat van de verdachte sinds 19 december 2002 geen vaste woon- of verblijfplaats bekend was;

(vii) de verdachte heeft op 25 april 2008 beroep in cassatie ingesteld.

3.3.1. Van overschrijding van de redelijke termijn kan sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.

Van de hier bedoelde vertraging is in elk geval geen sprake:

a. Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend

1. hetzij aan de verdachte in persoon,

2. hetzij op de voet van het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv. In de onder 2 bedoelde gevallen komt een na de betekening opgetreden vertraging immers voor rekening van de verdachte omdat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat hij door die betekening op de hoogte is geraakt van de uitspraak.

b. Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend door de in art. 588, eerste lid onder b sub 3°, Sv voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, èn indien tevens blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister - tenminste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv (vgl. HR 17 juli 2008, BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.19).

3.3.2. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat een verdachte, die, kennis dragende van een tegen hem ingestelde vervolging, nalaat op de voorgeschreven wijze opgave te doen van zijn verhuizingen en/of geen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzieningen treft om te bereiken dat hij kennis krijgt van voor hem bestemde stukken die zijn achtergelaten dan wel verzonden aan het adres alwaar hij vroeger woonachtig was of stond ingeschreven en/of nalaat zich op de hoogte te stellen van de inhoud van zodanige door hem ontvangen berichten dan wel daarop niet reageert, tengevolge waarvan de inspanningen van het openbaar ministerie om de uitspraak te zijner kennis te brengen, zonder resultaat blijven, zich niet met vrucht kan beroepen op schending van de hiervoor genoemde verdragsbepaling

(vgl. HR 30 januari 2001, LJN ZD2099).

3.4. De onder 3.2 weergegeven gang van zaken leidt in het licht van hetgeen onder 3.3 is overwogen tot het volgende. Niet kan worden gezegd dat de vertraging die is opgetreden vanaf de datum van de bestreden uitspraak tot de datum waarop beroep in cassatie is ingesteld valt toe te rekenen aan het Openbaar Ministerie, in aanmerking genomen dat de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend op de in art. 588, eerste lid onder b sub 3º, Sv voorziene wijze, het Openbaar Ministerie minstens eenmaal per jaar heeft getracht te achterhalen of de verdachte inmiddels in de basisadministratie persoonsgegevens was opgenomen en de verdachte op geen enkel moment ingeschreven is geweest in de basisadministratie persoonsgegevens. Van overschrijding van de redelijke termijn is derhalve geen sprake geweest. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en twee weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 13 juli 2010.