Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM3294

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
09/03967
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ6176, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 31a en 37 Successiewet 1956. Geen afzonderlijke aanslagen voor de voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde en de belaste geconserveerde waarde als bedoeld in artikel 35c SW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2010/249
V-N 2010/23.16 met annotatie van Redactie
FutD 2010-1172
NTFR 2010/1148 met annotatie van mr. drs. B.B.A. de Kroon
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 09/03967

7 mei 2010

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 augustus 2009, nrs. P08/01262 en P08/01263, betreffende het recht van successie.

1. Het geding in feitelijke instanties

Belanghebbende is ter zake van de verkrijging uit de nalatenschap van B, overleden in 2004, aangeslagen in het recht van successie. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur afgewezen.

De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 07/5936) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de Inspecteur opgedragen opnieuw uitspraak op bezwaar te doen.

Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft zowel het hoger beroep van belanghebbende als dat van de Inspecteur ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft in het jaar 2004 krachtens erfrecht aandelen in een B.V. verkregen. Op zijn verzoek is de waarde van de verkregen aandelen deels aangemerkt als voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde zoals bedoeld in artikel 35c, lid 2, van de Successiewet 1956 (tekst 2004, hierna: de SW), en deels als belaste geconserveerde waarde zoals bedoeld in artikel 35c, lid 3, van de SW.

3.1.2. Ter zake van de in 3.1.1 vermelde verkrijging is belanghebbende bij één aanslagbiljet aangeslagen in het recht van successie. Het aanslagbiljet houdt (onder meer) het volgende in:

"Conserverende aanslag.

(...)

Bedrag van de conserverende aanslag(en) € 210.480.

Voor de onderdelen van de conserverende aanslag zie hierna.

De bedragen op deze aanslag behoeven voorlopig niet te worden betaald.

Dit is een conserverende aanslag die is opgelegd met toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (...)

Berekening van de onderdelen van de aanslagen successierecht

Recht berekend over de verkrijging zonder toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling

(...)

De aanslag € 210.480

Recht berekend over de verkrijging na aftrek van de conserverende delen als bedoeld in art. 35c leden 1 en 2 S.W.

(...)

De aanslag € 138.926

(...)

Bezwaar maken

Deze aanslag is gebaseerd op artikel 37 van de Successiewet 1956. U kunt bezwaar maken tegen deze aanslag.

(...)

Recapitulatie van de onderdelen

Gedeelte vallend onder art. 35c lid 1 S.W. (...)

Gedeelte vallend onder art. 35c lid 2 S.W. (...)

1. Voorwaardelijk onbelaste conserverende aanslag (...)

2. Belaste conserverende aanslag (art. 35c lid 3 S.W.) (...)

Totaal van de conserverende aanslag(en) (...)"

3.2. Voor het geval uit de gegevens op het aanslagbiljet kan worden begrepen dat het biljet één conserverende aanslag vermeldt, was voor het Hof in geschil of de belasting over de in 3.1.1 bedoelde waarden geheven kan worden door middel van één conserverende aanslag.

3.3. Het Hof heeft in dat verband geoordeeld dat de in geschil zijnde conserverende aanslag voldoet aan de wettelijke voorschriften.

3.4.1. In de onder 3.3 weergegeven overweging van het Hof ligt het oordeel besloten dat in het onderhavige geval één conserverende aanslag is opgelegd. Voor zover het middel zich daartegen richt, faalt het. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Het behoefde geen nadere motivering en is ook niet onbegrijpelijk.

3.4.2. Uitgaande van het in 3.4.1 vermelde oordeel, heeft het Hof terecht geoordeeld dat deze conserverende aanslag voldoet aan de wettelijke voorschriften. De belasting over de geconserveerde waarde wordt op grond van artikel 37, lid 2, in verbinding met artikel 31a, lid 2, van de SW geheven bij wege van conserverende aanslag. In deze bepalingen wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten geconserveerde waarde. Artikel 35c van de SW, waarin het onderscheid tussen voorwaardelijk onbelaste en belaste te conserveren waarde gemaakt wordt, bevat geen bepaling die erop wijst dat niettemin voor ieder van deze delen van de geconserveerde waarde een afzonderlijke aanslag opgelegd moet worden. Het eerste middel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt daarom ook in zoverre.

3.4.3. Anders dan belanghebbende kennelijk veronderstelt, brengt hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen niet mee dat een klacht die slechts strekt tot een verschuiving tussen de voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde en de belaste geconserveerde waarde, buiten behandeling zou moeten blijven wegens gebrek aan belang. De op de voet van artikel 37, lid 2, SW op te leggen conserverende aanslag strekt mede tot afzonderlijke vaststelling van de belasting die is toe te rekenen aan de voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde respectievelijk de belaste geconserveerde waarde. Indien in bezwaar of beroep terecht wordt geklaagd over een te lage vaststelling van de belasting die moet worden toegerekend aan de voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde, dient de inspecteur of de rechter deze belasting op een hoger bedrag, en de belasting die is toe te rekenen aan de belaste geconserveerde waarde op een navenant lager bedrag vast te stellen.

3.5. Het tweede middel betoogt dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op het door belanghebbende in hoger beroep ingenomen subsidiaire standpunt. Dit standpunt hield in dat de conserverende aanslag volledig betrekking heeft op de voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde. Het middel faalt, nu in onderdeel 4.3 van 's Hofs uitspraak een afwijzing van dit standpunt ligt besloten.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2010.