Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM3283

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
08/04235
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 3.126, lid 1, letter a, onder 2°, Wet IB 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1165 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 08/04235

7 mei 2010

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X en X-Y, beiden te Z (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraken van de Rechtbank te Breda van 2 september 2008, nrs. AWB 07/5119 en AWB 07/5120, betreffende aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbenden zijn voor het jaar 2004 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.

De Rechtbank te Breda heeft bij afzonderlijke uitspraken de tegen die uitspraken ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De uitspraken van de Rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbenden hebben tegen de uitspraken van de Rechtbank bij één beroepschrift beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbenden hebben tot 1 januari 2004 een onderneming gedreven in de vorm van een maatschap. Op 25 februari 2005 hebben zij hun aandelen in de maatschap - met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004 - zonder een beroep te doen op een fiscale vrijstelling ingebracht in de daartoe opgerichte B Beheer B.V. (hierna: de houdstermaatschappij). Zij hebben tot het bedrag van de stakingswinst en de afname van de fiscale oudedagsreserve lijfrenten bij de houdstermaatschappij bedongen.

3.1.2. De houdstermaatschappij heeft eveneens op 25 februari 2005 gedeelten van de onderneming overgedragen aan de daartoe opgerichte C B.V. en D B.V. (hierna: de werkmaatschappijen) tegen uitreiking van aandelen van € 100 nominaal tot een bedrag van € 36.000 en een creditering van respectievelijk € 204.905 en € 280.013.

3.2. Voor de Rechtbank was in geschil of belanghebbenden recht hebben op aftrek van premies voor lijfrente van respectievelijk € 86.595 en € 61.790.

3.3. De Rechtbank heeft uit de arresten van de Hoge Raad van 8 november 2000, nr. 35393, LJN AA7113, BNB 2001/188, en 12 september 2003, nr. 37454, LJN AF3288, BNB 2003/398, afgeleid dat van een overdracht in de zin van artikel 3.126, lid 1, letter a, onder 2°, van de Wet IB 2001 geen sprake is indien de overdracht van (een gedeelte van) een onderneming onmiddellijk wordt gevolgd door een tevoren overeengekomen overdracht aan een derde. Aangezien de houdstermaatschappij onmiddellijk na oprichting de onderneming heeft overgedragen aan de daartoe opgerichte werkmaatschappijen, komen de lijfrentepremies naar het oordeel van de Rechtbank niet voor aftrek in aanmerking.

3.4. Met betrekking tot het eerste middel, dat zich richt tegen dit oordeel, heeft het volgende te gelden.

3.5. In het arrest van de Hoge Raad van 8 november 2000, nr. 35393, LJN AA7113, BNB 2001/188, is met betrekking tot de destijds in artikel 45, lid 5, letter a, onder 2°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 neergelegde uitzondering geoordeeld dat deze uitsluitend is bedoeld voor premies betaald aan een opvolgend ondernemer, en dat derhalve onder een overdracht in de zin van die bepaling niet dient te worden begrepen de overdracht van een onderneming gevolgd door een tevoren overeengekomen overdracht aan een derde. In een zodanig geval kan immers niet worden gezegd dat de persoon aan wie of het lichaam waaraan de premies worden betaald, de onderneming heeft overgenomen. Onder de werking van het, voor zover hier van belang, gelijkluidende artikel 3.126, lid 1, letter a, onder 2°, van de Wet IB 2001 heeft hetzelfde te gelden. Van het geval waarin dooroverdracht plaatsvindt aan een derde, als bedoeld in voormeld arrest, moet echter worden onderscheiden het geval waarin de onmiddellijke dooroverdracht van de onderneming geschiedt aan een dochtervennootschap waarin het lichaam dat de onderneming heeft overgenomen alle aandelen houdt, indien althans niet sprake is van een tevoren overeengekomen overdracht aan een derde ofwel van de aandelen in die dochtervennootschap ofwel van de onderneming door die dochtervennootschap. In laatstbedoeld geval behoudt het lichaam waarin de onderneming is ingebracht, middellijk volledig de gerechtigdheid tot het vermogen en de winst van de onderneming, en is er derhalve geen reden om aan dat lichaam voor de toepassing van artikel 3.126, lid 1, letter a, onder 2°, van de Wet IB 2001 de hoedanigheid van overnemer van de onderneming te ontzeggen. De omstandigheid dat in het onderhavige geval de dooroverdracht van de onderneming niet uitsluitend tegen uitreiking van aandelen maar deels tegen creditering heeft plaatsgevonden, doet aan het vorenstaande niet af.

3.6. Uit het hiervoor in 3.5 overwogene volgt dat het eerste middel slaagt. Het tweede middel behoeft geen behandeling meer. De uitspraak van de Rechtbank kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Minister van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor de Rechtbank.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraken van de Rechtbank, alsmede de uitspraken van de Inspecteur,

vermindert de aan X opgelegde aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 133.700 en vermindert de aan X-Y opgelegde aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 120.346,

gelast dat de Staat aan belanghebbenden vergoedt het door dezen ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 107, alsmede het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaken voor de Rechtbank ten bedrage van € 78, derhalve in totaal € 185,

veroordeelt de Minister van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, A.R. Leemreis, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2010.