Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM2474

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
12-10-2010
Zaaknummer
08/03267
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM2474
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. Art. 141 Sr. HR leest de kwalificatie verbeterd. Openlijk “in vereniging” geweld plegen tegen goederen en personen. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BH9029. Het Hof heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld. Dit oordeel is, gelet op ’s Hofs vaststellingen, onjuist noch onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010/560
RvdW 2010/1226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 oktober 2010

Strafkamer

nr. 08/03267

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 juli 2008, nummer 22/004120-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 16 juli 2007 - de verdachte ter zake van (de Hoge Raad leest:) "openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen en personen" veroordeeld tot de in het bestreden arrest vermelde straffen.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. J.M. Lintz en mr. A.M. Seebregts, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen ten aanzien van de aan het bewezenverklaarde gegeven kwalificatie, dat de Hoge Raad in zoverre opnieuw recht zal doen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.2. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 22 april 2007 te Rotterdam, in/op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten "[A]", gevestigd aan de [a-straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen één of meer goed(eren), te weten tegen glazen en/of flessen en/of (een) kassa('s) welk geweld tegen voornoemde goederen bestond uit het gooien met voornoemde glazen en/of flessen en/of het omver gooien van voornoemde kassa('s), en/of het duwen/slaan tegen die kassa('s) en/of het met een (drank)fles kapotslaan van andere (drank)flessen,

en/of

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen één of meer perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of één of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en), welk geweld bestond uit het

- gooien met glazen en/of flessen naar [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of die tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en), en/of

- het slaan en/of stompen op/tegen het (achter)hoofd van een tot op heden onbekend gebleven persoon."

3.3. Daarvan is door het Hof bewezenverklaard dat:

"hij op 22 april 2007 te Rotterdam, in een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten "[A]", gevestigd aan de [a-straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, te weten tegen glazen en flessen en een kassa welk geweld tegen voornoemde goederen bestond uit het gooien met voornoemde glazen en flessen en het duwen tegen die kassa en het met een (drank)fles kapotslaan van andere (drank)flessen, en openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen één tot op heden onbekend gebleven persoon welk geweld bestond uit het slaan tegen het achterhoofd van die tot op heden onbekend gebleven persoon."

3.4. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik word als verdachte gehoord over een openlijke geweldpleging op 22 april 2007 in [A] aan de [a-straat] in Rotterdam. Er waren problemen tussen mij en [betrokkene 2]. Ik hoorde van de beveiliging van [B] dat [betrokkene 2] en anderen het pand hadden verlaten. Ik was met [betrokkene 3]. [Betrokkene 3] heeft mijn broer [verdachte] gebeld. Daarna is mijn broer [verdachte] gekomen samen met [betrokkene 4]. [verdachte] kwam met een Volkswagen Golf. Op een gegeven moment zijn we weggereden. [Verdachte] reed als bestuurder van de Volkswagen Golf. Onderweg heb ik toen tegen [verdachte] gezegd dat hij naar "[A]" moest gaan. Ik wilde verhaal halen en ik wilde op zoek naar [betrokkene 2] en ik vermoedde dat hij bij "[A]" was. We kwamen aan bij "[A]", ik ben uitgestapt en ben naar binnen gegaan. Ik kan me herinneren dat ik een kassa heb vernield, daar met glazen gegooid heb en een aantal flessen vernield heb."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4]:

"Op 22 april 2007 stond ik als portier voor de deur van [C] te Rotterdam. Op een gegeven moment kwam [verdachte] eraan rijden in een Volkswagen Golf. [Verdachte] wenkte mij en zei dat [betrokkene 3] en [betrokkene 1] problemen hadden bij [B]. [verdachte] vroeg of ik mee wilde gaan. Samen met [verdachte] ben ik naar [B] gereden. [Verdachte] bestuurde de auto en ik zat er naast. Toen ik bij [B] aankwam zag ik daar [betrokkene 4] (het hof begrijpt, mede gelet op de bewijsmiddelen 4, 5 en 6: [betrokkene 1]) staan. Hij stond te blèren en wilde de ingang instormen. Eén van de portiers vertelde me dat [betrokkene 2] [betrokkene 1] had geslagen, maar dat [betrokkene 2] inmiddels via een nooduitgang naar buiten was gegaan. We zijn ingestapt in de Volkswagen Golf. [Verdachte] reed als bestuurder. Ik zat naast [verdachte] op de bijrijdersplaats. [Betrokkene 1] zat achterin. Er stapten nog twee Marokkanen in. Ik ken ze niet. Volgens mij zijn het vrienden van [betrokkene 1] en [verdachte]. Ik zag dat [verdachte] opgefokt was. Ik zei dat hij moest stoppen en dat hij me bij [C] af moest zetten. Hij reed echter door. We kwamen bij [A]. [Verdachte] stopte op de stoep voor de deur en we zijn alle vijf uitgestapt. Ik zag dat [betrokkene 1] naar binnen stormde. Hij was opgefokt. Ik ging direct achter hem aan. Het was druk binnen. Er waren een hoop mensen. Op een gegeven moment zag ik [betrokkene 1] achter de bar staan. Ik zag dat hij gooide met glazen en flessen. De enige die hem tegen probeerde te houden was [betrokkene 5]."

c. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"De officier houdt mij de verklaring voor van getuige [getuige 1] met betrekking tot het slaan van de glazenophaler. Ik heb die man vastgepakt."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 6]:

"Op 22 april 2007 stond ik voor de deur van [A]. Ineens zag ik ongeveer vijf mannen, waaronder grote [betrokkene 4] en zijn broer [verdachte]. Ik zag dat die mannen opgefokt waren. De mannen schreeuwden en riepen: "[betrokkene 2], [betrokkene 2]". De vijf mannen glipten naar binnen. Ik ben direct achter die mannen aangegaan. Ik zag toen dat grote [betrokkene 4] met een fles diverse drankflessen kapot sloeg. Ik zag dat het publiek wegvluchtte. Op een gegeven moment zijn de vijf mannen weer weggegaan. Ik zag toen dat grote [betrokkene 4] in de garderobe een computerkassa vernielde. Hij duwde met zijn handen de computer van de balie en die viel op de grond. Ik zag dat een glazenophaler grote [betrokkene 4] na de vernieling van de kassa in de rug duwde. Ik zag dat die jongen zich omdraaide en wegliep. Grote [betrokkene 4] draaide zich ook om en liep achter die glazenophaler aan en ik zag dat hij met zijn rechtervuist de glazenophaler op zijn achterhoofd sloeg."

e. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 7]:

"Op 22 april 2007 was ik werkzaam als portier bij [A]. Ik zag op een gegeven moment dat er een vijftal à zestal personen binnenkwam. Ik kende deze personen. Ik zag de broers [betrokkene 4] en [verdachte], een andere [betrokkene 4] en twee Marokkanen. Ik zag dat [betrokkene 4], de broer van [verdachte], veel flessen kapot gooide. Ik zag aan [betrokkene 4] dat hij door het dolle heen was."

f. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"Op 22 april 2007 bevond ik mij in [A]. Ik zag dat [betrokkene 4] achter de bar stond en met glazen aan het gooien was. Ik zag dat [betrokkene 4] met een fles een heel eilandje met flessen kapot sloeg. Dit waren tientallen flessen. Met [betrokkene 4] bedoel ik grote [betrokkene 4]. Bij [betrokkene 4] was zijn broer genaamd [verdachte]. [Verdachte] duwde mensen opzij. Ik zag dat een glazenophaler op een gegeven moment achter grote [betrokkene 4] aangaat en hem kennelijk duwde. Hij werd vastgepakt door [verdachte]. Vervolgens zag ik dat grote [betrokkene 4] hem hard op zijn achterhoofd slaat. Dit nadat die glazenophaler zich had omgedraaid en van hem af liep. Grote [betrokkene 4] en [verdachte] zijn na afloop weggereden in een Volkswagen Golf."

3.5. Het Hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

"De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het eerste en tweede cumulatief tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, en tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met anderen agressief gedragen in een horecagelegenheid, waarbij met glazen en flessen is gegooid, een kassa is vernield en zonder enige aanleiding een persoon tegen het achterhoofd is geslagen. Dusdoende is inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en zijn tevens gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt bij omstanders.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 juni 2008 is de verdachte eerder veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van navermelde duur in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormen."

3.6.1. Het middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte "in vereniging" geweld heeft gepleegd tegen personen en goederen.

3.6.2. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat:

(i) de broer van de verdachte op 22 april 2007 bij [B] problemen had met ene [betrokkene 2], waarna deze [betrokkene 2] via de nooduitgang is vertrokken;

(ii) de broer van de verdachte vervolgens verhaal wilde halen en daartoe op zoek wilde naar [betrokkene 2];

(iii) de verdachte samen met zijn broer en een aantal anderen naar [A], gevestigd aan de [a-straat] te Rotterdam, is gereden, omdat zij vermoedden dat [betrokkene 2] zich daar bevond;

(iv) deze groep van personen [A] is binnengegaan;

(v) de broer van de verdachte aldaar diverse glazen en flessen kapot heeft gegooid en een kassa heeft vernield;

(vi) de verdachte mensen opzij heeft geduwd;

(vii) de verdachte een glazenophaler heeft vastgepakt;

(viii) de broer van de verdachte deze glazenophaler vervolgens tegen het achterhoofd heeft geslagen.

3.6.3. Vooropgesteld moet worden dat van "in vereniging" plegen van geweld sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is dus niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt (vgl. HR 7 juli 2009, LJN BH9029, NJ 2009/400).

Het Hof heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld. Dit oordeel geeft, gelet op de hiervoor weergegeven vaststellingen van het Hof, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Het middel faalt.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde honderd uren taakstraf, subsidiair vijftig dagen hechtenis.

5. Slotsom

Het voorgaande brengt mee dat, nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig acht waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert het aantal uren taakstraf in die zin dat dit 95 uren bedraagt;

vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 47 dagen beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 12 oktober 2010.