Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM1679

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-06-2010
Datum publicatie
25-06-2010
Zaaknummer
09/02566
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM1679
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2009:BI2451, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbitrage. Tenuitvoerlegging in Nederland van vier Russische arbitrale vonnisssen die door de Russische overheidsrechter zijn vernietigd; niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep in de exequaturprocedure; art. III Verdrag van New York van 10 juni 1958 houdt een afwijkende voorziening in als bedoeld in art. 1075 Rv., die in de weg staat aan overeenkomstige toepassing van art. 985 tot en met 991 Rv.; erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale vonnissen mag niet worden onderworpen aan voorwaarden die aanmerkelijk drukkender, of aan gerechtskosten die aanmerkelijk hoger zijn dan die waaraan de erkenning en tenuitvoerlegging van binnenlandse arbitrale vonnissen is onderworpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1075
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1062
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/804
NJ 2012/55 met annotatie van H.J. Snijders
TVA 2011, 9 met annotatie van mr. J.J. van Haersolte-van Hof
JWB 2010/268
JBPR 2010/55 met annotatie van prof. mr. R.P.J.L. Tjittes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 juni 2010

Eerste Kamer

09/02566

EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

de rechtspersoon naar het recht van de Russische Federatie OAO ROSNEFT,

gevestigd te Moskou, Russische Federatie,

VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

advocaten: mr. J.P. Heering en mr. E. Grabandt,

t e g e n

de vennootschap naar het recht van Luxemburg YUKOS CAPITAL S.A.R.L.,

gevestigd te Luxemburg,

VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. K.G.W. van Oven.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Rosneft en Yukos Capital.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 365094/KG RK 07-750 van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 28 februari 2008,

b. de beschikking in de zaak 200.005.269/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 28 april 2009.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft Rosneft beroep in cassatie ingesteld. Yukos Capital heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep en een beroep op niet-ontvankelijkheid zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit. Rosneft heeft verzocht het beroep op niet-ontvankelijkheid te verwerpen.

Partijen hebben over en weer verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot niet-ontvankelijkheid van Rosneft in het principaal cassatieberoep.

De advocaat van Rosneft heeft bij brief van 23 april 2010 op de conclusie gereageerd.

3. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1 Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep is het volgende van belang.

(i) Tussen Yukos Capital en (een rechtsvoorgangster van) Rosneft zijn in de Russische Federatie door het

"International Court of Commercial Arbitration" te Moskou op 19 september 2006 vier arbitrale vonnissen gewezen, waarin is beslist dat (een rechtsvoorgangster van) Rosneft aan Yukos Capital in totaal omstreeks 13 miljard roebel (exclusief rente en kosten) dient te voldoen.

(ii) Yukos Capital heeft op de voet van art. 1075 Rv. krachtens het Verdrag nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van in het buitenland gewezen scheidsrechterlijke uitspraken, New York, 10 juni 1958, Trb. 1958, 145 (hierna: het Verdrag van New York), verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van deze vier arbitrale vonnissen verzocht.

(iii) De voorzieningenrechter heeft het verzoek van Yukos Capital afgewezen met toepassing van de weigeringsgrond van art. V lid 1, aanhef en onder e, van het Verdrag van New York: de vier arbitrale vonnissen zijn vernietigd door inmiddels onherroepelijk geworden beslissingen van de burgerlijke rechter in Moskou van 18 en 23 mei 2007, welke beslissingen de exequaturrechter in beginsel dient te respecteren, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld schending van algemeen aanvaarde beginselen van een behoorlijke procesorde in de aan de beslissing tot vernietiging voorafgaande procedure, partijdigheid en afhankelijkheid van de desbetreffende burgerlijke rechter en volstrekt onvoldoende motivering van diens beslissingen. Dergelijke omstandigheden zijn door Yukos Capital niet (voldoende gemotiveerd) gesteld, aldus de voorzieningenrechter.

(iv) Het hof heeft de beschikking van de voorzieningenrechter vernietigd. Volgens het hof verplicht het Verdrag van New York de Nederlandse exequaturrechter niet de beslissingen van de Russische burgerlijke rechter tot vernietiging van de arbitrale vonnissen zonder meer te erkennen en moet de vraag of die beslissingen kunnen worden erkend worden beantwoord aan de hand van de regels van het commune internationaal privaatrecht (rov. 3.4).

Na een beoordeling van de desbetreffende stellingen van Yukos Capital in rov. 3.8.1-3.8.10 en 3.9.1-3.9.4 heeft het hof in rov. 3.10 geoordeeld dat volgens de regels van het commune internationaal privaatrecht de beslissingen van de Russische burgerlijke rechter tot vernietiging van de arbitrale vonnissen in Nederland niet kunnen worden erkend omdat aangenomen moet worden dat die beslissingen het resultaat zijn van rechtspraak die als partijdig en afhankelijk moet worden gekwalificeerd. Het hof heeft daarom die vernietiging genegeerd bij de beoordeling van het verzoek tot tenuitvoerlegging. Het hof heeft het verzochte verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de arbitrale vonnissen alsnog verleend.

3.2 Tegen de beschikking van het hof heeft Rosneft beroep in cassatie ingesteld. Yukos Capital heeft aangevoerd dat Rosneft in haar (principaal) cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op de grond dat, kort samengevat, toelating van cassatieberoep tegen de verlening van exequatur in strijd zou zijn met het bepaalde in art. III van het Verdrag van New York, dat, voorzover thans van belang, luidt:

"There shall not be imposed substantially more onerous conditions or higher fees or charges on the recognition or enforcement of arbitral awards to which this Convention applies than are imposed on the recognition or enforcement of domestic arbitral awards."

Volgens Yukos Capital is van "substantially more onerous conditions or higher fees or charges" sprake, omdat uit art. 1062 lid 4 in verbinding met art. 1064 lid 1 Rv. volgt dat tegen de verlening van verlof tot tenuitvoerlegging van een Nederlands arbitraal vonnis geen hoger beroep of beroep in cassatie openstaat, zodat op grond van het in art. III van het Verdrag van New York neergelegde discriminatieverbod hetzelfde dient te gelden met betrekking tot de verlening van verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis waarop het Verdrag van New York van toepassing is. Hoger beroep en beroep in cassatie staan, net als bij beslissingen op een verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging van een Nederlands arbitraal vonnis, slechts open tegen afwijzende beslissingen op het verzoek, aldus Yukos Capital.

3.3 Bij de beoordeling van dit beroep op niet-ontvankelijkheid wordt vooropgesteld dat art. III van het Verdrag van New York, uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de bewoordingen van deze bepaling met inachtneming van de context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag, geen duidelijk antwoord geeft op de vraag wat moet worden verstaan onder "substantially more onerous conditions or higher fees or charges".

Voorts moet op grond van de gegevens vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 13 betreffende de ontstaansgeschiedenis van het verdrag worden geconstateerd dat deze geen helder beeld geeft van de precieze strekking en betekenis van art. III van het Verdrag van New York. Aangenomen moet worden dat naar de bedoeling van de verdragsopstellers art. III ertoe strekt te verzekeren dat arbitrale vonnissen onder het verdrag ten uitvoer kunnen worden gelegd met toepassing van een eenvoudige en snelle procedure die in elk geval niet aanmerkelijk bezwaarlijker mag zijn dan de exequaturprocedure voor binnenlandse arbitrale vonnissen.

Voorts geldt dat de "conditions" waarop art. III ziet, niet betrekking hebben op de materiële voorwaarden voor erkenning en tenuitvoerlegging - die worden uitsluitend bepaald door het verdrag zelf - maar betrekking hebben op procedurele voorschriften. Het bepaalde in art. III komt derhalve hierop neer dat de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale vonnissen niet mag worden onderworpen aan voorwaarden die aanmerkelijk drukkender, of aan gerechtskosten die aanmerkelijk hoger zijn dan die waaraan de erkenning en tenuitvoerlegging van binnenlandse arbitrale vonnissen is onderworpen.

3.4 Tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene moet worden geoordeeld dat bij vergelijking van de processuele voorschriften betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van enerzijds nationale arbitrale vonnissen en anderzijds onder het Verdrag van New York vallende buitenlandse arbitrale vonnissen, blijkt dat de laatstbedoelde processuele voorschriften "substantially more onerous conditions or higher fees or charges" inhouden wanneer zij hoger beroep en cassatieberoep zouden toelaten tegen een verlof tot tenuitvoerlegging, waar die - tot extra kosten en tot een verlenging van de procedure leidende - rechtsmiddelen, zoals volgt uit art. 1062 lid 4 in verbinding met art. 1064 lid 1 Rv., niet openstaan tegen een verlof tot tenuitvoerlegging van een in Nederland gewezen arbitraal vonnis.

De exequaturprocedure voor buitenlandse arbitrale vonnissen zou daarom bij toelating van hoger beroep en cassatieberoep tegen de exequaturverlening aanmerkelijk bezwaarlijker zijn dan de exequaturprocedure voor binnenlandse arbitrale vonnissen. Dat zou in strijd zijn met het in art. III van het Verdrag van New York neergelegde discriminatieverbod. Aldus doet zich een geval voor waarin een verdrag een afwijkende voorziening inhoudt als bedoeld in art. 1075 Rv., die in de weg staat aan overeenkomstige toepassing van art. 985 tot en met 991 Rv., voorzover daarin hoger beroep en beroep in cassatie worden opengesteld zonder onderscheid tussen een toewijzende en een afwijzende beslissing op een verzoek tot tenuitvoerlegging.

3.5 De slotsom uit het voorgaande is dat geen cassatieberoep openstaat tegen de verlening van het verlof tot tenuitvoerlegging van de arbitrale vonnissen door het hof, zodat Rosneft daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hierbij wordt aangetekend dat ook in een geval als het onderhavige de uitsluiting van een rechtsmiddel op in de rechtspraak van de Hoge Raad aanvaarde gronden kan worden doorbroken, maar dat Rosneft dergelijke gronden niet heeft gesteld, terwijl deze ook niet besloten liggen in hetgeen Rosneft heeft aangevoerd ter bestrijding van het door Yukos Capital gedane beroep op niet-ontvankelijkheid. Rosneft heeft zich echter wel op enkele andere, hierna te bespreken, gronden tegen

de zojuist genoemde slotsom verzet.

3.6.1Rosneft heeft zich in de eerste plaats beroepen op art. 1075 Rv., waarin de art. 985 tot en met 991 Rv. betreffende de formaliteiten vereist voor tenuitvoerlegging van in vreemde Staten tot stand gekomen executoriale titels van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Art. 989 en art. 990 Rv. openen de mogelijkheid van hoger beroep respectievelijk beroep in cassatie tegen een toewijzende exequaturbeschikking. Omdat noch in art. 1075 Rv. noch in de art. 989 en 990 Rv. melding wordt gemaakt van een beperking van de mogelijkheid van hoger beroep of beroep in cassatie, is volgens Rosneft van een rechtsmiddelenverbod geen sprake.

3.6.2 Dit betoog van Rosneft kan niet worden gevolgd. Weliswaar worden in art. 1075 Rv. de art. 985 tot en met 991 Rv. van overeenkomstige toepassing verklaard, maar zulks geldt blijkens art. 1075 slechts voorzover het toepasselijke verdrag geen afwijkende voorzieningen inhoudt. Zoals hiervoor is overwogen, houdt het hier toepasselijke Verdrag van New York ingevolge art. III, gelezen in samenhang met de Nederlandse regeling van de procedure tot tenuitvoerlegging van nationale arbitrale vonnissen, een afwijkende voorziening in met betrekking tot de mogelijkheid van hoger beroep en beroep in cassatie tegen het verlof tot tenuitvoerlegging.

3.7.1 In de tweede plaats heeft Rosneft aangevoerd dat bij de beantwoording van de vraag of door het openstellen van hoger beroep en cassatieberoep sprake is van een "substantially more onerous condition" betrokken moet worden dat in geval van verlening van exequatur op een nationaal vonnis als rechtsmiddel nog de mogelijkheid van vernietiging en herroeping bestaat (art. 1062 lid 4 in verbinding met art. 1064 lid 1 Rv.), terwijl dat rechtsmiddel in Nederland niet voorhanden is in geval van verlening van exequatur op een buitenlands arbitraal vonnis. Volgens Rosneft houdt het ontbreken van dat rechtsmiddel (dat, indien gegrond, tot vernietiging van het exequatur leidt) verband met het openstellen in art. 1075 Rv. van hoger beroep en beroep in cassatie tegen de verlening van een exequatur op een buitenlands arbitraal vonnis. Daarnaast wijst Rosneft erop dat de Nederlandse procedure, met inbegrip van eventueel hoger beroep en cassatieberoep, tot vernietiging en herroeping van nationale arbitrale vonnissen minder tijdrovend en kostbaar kan zijn dan een procedure waarbij de verlening van exequatur op een buitenlands vonnis aan hoger beroep en cassatieroep is onderworpen.

3.7.2 Ook dit betoog noopt niet tot een ander oordeel.

De vraag of het buitenlandse arbitrale vonnis kan worden aangetast door het rechtsmiddel van vernietiging of herroeping, moet worden beantwoord naar het recht van het land waar het arbitrale vonnis is gewezen, en onder het Verdrag van New York berust de bevoegdheid om kennis te nemen van een vordering tot vernietiging of herroeping ook exclusief bij de bevoegde autoriteiten van dat land. Dienovereenkomstig staat in Nederland de mogelijkheid van vernietiging of herroeping van onder het Verdrag van New York vallende buitenlandse arbitrale vonnissen niet open, en in het licht van de verdragsregeling is er geen reden dat te compenseren met het openstellen van hoger beroep en cassatieberoep tegen de verlening van het exequatur. Daarbij verdient opmerking dat, indien de mogelijkheden tot aantasting in het land waar het arbitrale vonnis is gewezen, beperkt zijn, de partijen daarmee bij het sluiten van de arbitrageovereenkomst rekening hebben kunnen houden.

3.7.3 De omstandigheid dat in het land van tenuitvoerlegging geen vernietiging of herroeping van het buitenlandse vonnis kan worden verkregen, brengt dan ook niet mee dat tegen het verlof tot tenuitvoerlegging de rechtsmiddelen van hoger beroep en cassatieberoep moeten worden toegelaten, hoewel die rechtsmiddelen bij nationale arbitrale vonnissen niet openstaan en daarom ingevolge art. III van het Verdrag van New York bij buitenlandse vonnissen een "substantially more onerous condition" zouden opleveren.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een "substantially more onerous condition" komt het aan op een vergelijking van de processuele voorschriften van het land van tenuitvoerlegging met betrekking tot enerzijds binnenlandse arbitrale vonnissen en anderzijds buitenlandse onder het verdrag vallende arbitrale vonnissen.

Een vergelijking met de processuele voorschriften van het land waar het arbitrale vonnis is gewezen, is daarbij niet aan de orde. Bij het onderzoek of sprake is van een "substantially more onerous condition" behoeft daarom niet te worden betrokken of en op welke wijze naar het recht van het land waar het arbitrale vonnis is gewezen in geval van verlening van exequatur nog de mogelijkheid van vernietiging of herroeping van het betrokken arbitrale vonnis bestaat.

3.8.1 In de derde plaats heeft Rosneft aangevoerd dat toepassing van het "asymmetrische" rechtsmiddelenverbod van art. 1062 lid 4 in verbinding met art. 1064 lid 1 Rv. op onder het Verdrag van New York vallende buitenlandse arbitrale uitspraken in strijd is met een goede procesorde en in het bijzonder met het door art. 6 EVRM gewaarborgde beginsel van "equality of arms".

3.8.2 Ook dit betoog leidt niet tot het door Rosneft gewenste resultaat. Het rechtsmiddelenverbod van art. 1062 lid 4 in verbinding met art. 1064 lid 1 Rv. is in zoverre "asymmetrisch" dat met betrekking tot het instellen van hoger beroep en van beroep in cassatie verschil wordt gemaakt tussen afwijzende en toewijzende beschikkingen op het exequaturverzoek. De verzoeker kan bij afwijzing van het verzoek het rechtsmiddel van hoger beroep dan wel beroep in cassatie tegen de beschikking aanwenden, terwijl bij toewijzing van het verzoek aan de wederpartij de mogelijkheid tot het aanwenden van deze rechtsmiddelen wordt onthouden. Zoals hiervoor in 3.4 overwogen, noopt het discriminatieverbod van art. III van het Verdrag van New York ertoe dit stelsel ook te volgen ten aanzien van onder dat verdrag vallende arbitrale vonnissen.

Dat op grond van dit discriminatieverbod ten aanzien van buitenlandse arbitrale vonnissen op dezelfde wijze wordt onderscheiden tussen afwijzende en toewijzende beschikkingen, is op zichzelf niet in strijd met een goede procesorde of het door art. 6 EVRM gewaarborgde beginsel van "equality of arms".

3.8.3 Daarbij is in de eerste plaats te bedenken dat, zoals hiervoor in 3.4 vermeld, het discriminatieverbod ertoe strekt te verzekeren dat ten aanzien van onder het verdrag vallende arbitrale vonnissen een eenvoudige en snelle procedure tot erkenning en tenuitvoerlegging wordt toegepast die in elk geval niet aanmerkelijk bezwaarlijker mag zijn dan de exequaturprocedure voor binnenlandse arbitrale vonnissen. Door met toepassing van het in het Verdrag van New York neergelegde discriminatieverbod de erkenning en tenuitvoerlegging van onder dat verdrag vallende arbitrale vonnissen te begunstigen, worden op zichzelf geen door art. 6 EVRM beschermde rechten geschonden.

3.8.4 In de tweede plaats kan aan art. 6 EVRM op zichzelf niet een recht worden ontleend op een rechtsmiddel.

Wel dient, zoals nader uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 28 e.v., te worden getoetst of de "asymmetrie" in het rechtsmiddelenverbod de wederpartij ten opzichte van de verzoeker van het exequatur in een zodanig nadelige positie plaatst dat van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM geen sprake is.

Op de gronden vermeld in de conclusie onder 29-31 moet worden aangenomen dat waar het de rechtsmiddelen in de procedure tot verkrijging van verlof tot tenuitvoerlegging van in Nederland gewezen arbitrale vonnissen betreft, geen sprake is van schending van door art. 6 beschermde rechten, met name doordat in geval van verlening van het exequatur alsnog op de voet van art. 1064 lid 3 Rv. het rechtsmiddel van vernietiging of herroeping tegen het betrokken arbitrale vonnis kan worden aangewend.

Bij de beoordeling of dit ook geldt wanneer het niet gaat om nationale arbitrale vonnissen, maar om de procedure inzake onder het Verdrag van New York vallende buitenlandse arbitrale vonnissen, is van belang of een met art. 1064 lid 3 Rv. vergelijkbare voorziening bestaat in het recht van het land waar het arbitrale vonnis is uitgesproken. Indien dat het geval is en de betrokken procedure in dat land is of alsnog kan worden gevolgd, levert de "asymmetrie" geen schending op van door art. 6 EVRM beschermde rechten. Daarbij is niet van belang tot welke uitkomst die procedure heeft geleid of naar verwachting zal leiden. Het gaat immers erom of, met inachtneming van de internationale aspecten van de zaak, sprake is van schending van het beginsel van "equality of arms" doordat de mogelijkheden tot het verkrijgen van het verlof tot tenuitvoerlegging in vergelijking met de middelen om dat tegen te houden zodanig verschillen dat de ene partij substantieel wordt benadeeld ten opzichte van de andere partij. Van dergelijke substantiële benadeling is geen sprake indien voor dan wel na verlening van het exequatur een procedure tot vernietiging of herroeping van het betrokken vonnis moet worden gevoerd niet voor de tot verlening van het exequatur bevoegde rechter maar voor de rechter van het land waar het arbitrale vonnis is gewezen. Degene te wiens laste het arbitrale vonnis is gewezen dat in het land van herkomst is of kon worden aangevochten met een procedure tot vernietiging of herroeping, verkeert niet in een substantieel nadeliger positie ten opzichte van de wederpartij. In deze situatie is evenmin sprake van strijd met een goede procesorde.

3.9 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat overeenkomstig het in 3.5 overwogene Rosneft niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar cassatieberoep.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart Rosneft niet-ontvankelijk in haar beroep;

veroordeelt Rosneft in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Yukos Capital begroot op € 358,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, W.A.M. van Schendel, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 25 juni 2010.