Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM0948

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
09/01236 A
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM0948
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. OM-cassatie. Art. 413 SvNA. Ontvankelijkheid OM i.v.m. toegepast fysiek geweld tijdens verhoor. Tijdens het verhoor wordt door de verhorende verbalisant een flesje water uit de hand van verdachte geschopt, waarbij diens hand werd geraakt. Het Hof verklaart het OM n-o. HR: voor n-o van het OM is, gelet op art. 413 SvNA alleen plaats indien door toedoen van de normschending geen sprake kan zijn van een eerlijk proces. ’s Hofs oordeel is, mede in aanmerking genomen de in art. 413.7 SvNA gestelde eisen voor de beoordeling van aan de normschending te verbinden gevolgen, niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1377
NJ 2010/676 met annotatie van T.M. Schalken
NJB 2010, 2248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 november 2010

Strafkamer

nr. S 09/01236 A

LBS/IM

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 29 oktober 2008, nummer H 167/2008, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren [te geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Gemeenschappelijk Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadslieden van de verdachte, mr. I. van Straalen en mr. J. Goudswaard, beiden advocaat te 's-Gravenhage, hebben het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

1.2. Mr. Van Straalen heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof het Openbaar Ministerie ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd,

niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging.

2.2. Het Hof heeft zijn in het middel bedoelde beslissing als volgt gemotiveerd:

"De verdediging heeft een preliminair verweer gevoerd concluderende tot niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal. Dat verweer slaagt. Het Hof overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier blijkt dat verdachte op 25 maart 2008 is aangehouden in het kader van een langer lopend onderzoek naar handel in verdovende middelen waarbij personen die werkzaam waren op de luchthaven te Sint Maarten betrokken zouden zijn. Op basis van CID-informatie, telefoontaps en observaties bestond het vermoeden dat verdachte via zijn cargobedrijf op de luchthaven van Sint Maarten drugszendingen in ontvangst nam en deze bewaarde, vervoerde en afleverde aan derden en in het kader daarvan contacten met medeverdachten op Sint Maarten en Curaçao onderhield. In de nacht van 7 op 8 juni 2007 werd bij huiszoeking op twee adressen op Sint Maarten in totaal bijna 9 kilo cocaïne aangetroffen. Telefoontaps en observaties wezen op betrokkenheid van verdachte bij de verzending en aflevering van deze partij drugs. Naar aanleiding van bedoelde vondst zijn twee medeverdachten ter plaatse aangehouden. Blijkens het dossier werd besloten in dat stadium nog niet tot aanhouding van verdachte over te gaan. In een later stadium, nadat langdurig het internetverkeer van verdachte was afgetapt en zijn contacten via dat medium met zijn medeverdachte op Curaçao waren gevolgd, zijn ook verdachte en deze medeverdachte aangehouden en in verzekering gesteld.

Na zijn aanhouding is verdachte op 25 en 26 maart 2008 door de politie verhoord over onder meer zijn relatie met de medeverdachten en het transport van 9 kilo cocaïne. Hij heeft daarbij consequent iedere betrokkenheid bij dat feit ontkend. Blijkens de daarvan opgemaakte processen-verbaal zijn de verhoren op 25 en 26 maart 2008 gedaan door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. In een brief van 27 maart 2008 heeft de toenmalige raadsvrouw van verdachte melding gemaakt van een incident tijdens het tweede verhoor, waarbij verdachte door verbalisant [verbalisant 1] zou zijn mishandeld.

Naar aanleiding hiervan heeft de rechter-commissaris op 10 juni 2008 verbalisant [verbalisant 2] als getuige gehoord. Deze heeft, voor zover hier van belang, het volgende verklaard: "Ik heb de verdachte samen met [verbalisant 1] verhoord. Tijdens een van die verhoren heeft [verbalisant 1] de verdachte geschopt. Ik heb dat gezien. De verdachte hield een plastic fles water vast. [Verbalisant 1] was bezig met het verhoor. Ik weet niet waarom, maar op een moment trapte [verbalisant 1] de fles uit de hand van de verdachte. De verdachte zat op dat moment. (...) De trap raakte ook de handen van de verdachte. Ik kan niet beoordelen of de verdachte hierdoor pijn heeft geleden. U vraagt mij of de verdachte hierdoor geïntimideerd werd en niet meer vrij kon verklaren. Ik had niet die indruk. Ik had het verhoor na dit incident overgenomen voor een gedeelte (circa 10 minuten, daarna nam [verbalisant 1] het weer over). Ik weet niet wat de exacte emoties waren van de verdachte." Het Hof heeft geen reden om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen. Het gaat er dan ook van uit dat dit incident op de beschreven wijze heeft plaatsgehad. Gelet op het voorgaande staat vast dat verdachte, die zich in voorarrest bevond, tijdens een rustige verhoorsituatie door een politieambtenaar is geschopt, zonder dat het gedrag van verdachte of een andere omstandigheid ook maar enige aanleiding laat staan rechtvaardiging voor het gebruik van dit geweld tegen hem gaf (zo is niet gebleken dat verdachte zich agressief of uitdagend gedroeg, terwijl er verder in geen enkel opzicht sprake was van een urgente situatie waarin het toepassen van een noodgreep te begrijpen was geweest). Uit het feit dat er geen enkele aanleiding voor het trappen bestond, leidt het Hof af dat de verhorend verbalisant zulks enkel heeft gedaan uit frustratie over de onbevredigende antwoorden van verdachte en ter intimidatie van die verdachte: mogelijkerwijs zou hij, na op deze fysieke manier onder druk gezet te zijn, wel verklaren wat de verbalisant wilde horen. Deze vorm van agressie behelst een schending van voor de procesvoering wezenlijke normen. De ernst van de normschending is niet zozeer gelegen in de feitelijke gevolgen van het gepleegde geweld (waarschijnlijk vielen die in elk geval in fysieke zin mee), doch in het feit dat een behoorlijk verhoor, vrij van intimidatie en fysiek geweld, een zo essentieel onderdeel van een eerlijk strafproces is, dat het maken van inbreuk daarop zonder dat daarvoor enige rechtvaardiging bestaat, immer als ernstig dient te worden beschouwd. Geen bijzondere wettelijke bepaling voorziet in de gevolgen van deze normschending. Bij de beoordeling van de normschending en de daaraan te verbinden gevolgen, alsmede bij de afweging van de in het geding zijnde belangen, laat het Hof - naast hetgeen hiervoor over de ernst van politiegeweld in een verhoorsituatie is overwogen - ook meewegen dat de gedraging die verdachte verweten wordt niet van de grootste ernst is (verdenking van overtreding van de Opiumlandsverordening - meer in het bijzonder een transport van 9 kilo cocaïne -, een abstract gevaarzettingsdelict, met het vervolgen waarvan een reëel maar voor Sint Maarten ook weer niet te overschatten maatschappelijk belang is gediend) en dat niet is gebleken dat de leiding van het politiekorps op enigerlei wijze actie heeft ondernomen (jegens de bewuste opsporingsambtenaar), teneinde haar afkeur van dergelijke verhoormethodes duidelijk te maken en te voorkomen dat zulks in de toekomst nogmaals gebeurt.

Al voormelde feiten en omstandigheden in aanmerking genomen oordeelt het Hof dat door de handelwijze van de opsporingsambtenaar een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Om die reden concludeert het Hof tot niet-ontvankelijkverklaring van de procureur-generaal.

2.3. Art. 413 van het Wetboek van Strafvordering voor de Nederlandse Antillen (verder SvNA) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

5. De rechter kan in zijn eindvonnis, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bij schending van voor de procesvoering wezenlijke normen, na een redelijke afweging van alle in het geding zijnde belangen, beslissen, voor zover een bijzondere wettelijke bepaling niet reeds in de gevolgen van de normschending voorziet:

a. dat de hoogte van de straf, in verhouding tot de ernst van de normschending, zal worden verlaagd, indien het door de schending veroorzaakte nadeel langs die weg redelijkerwijs kan worden gecompenseerd;

b. dat de resultaten van het onderzoek, voorzover zij rechtstreeks door middel van de normschending zijn verkregen, niet tot het bewijs van het strafbare feit worden toegelaten, indien redelijkerwijs aannemelijk is, dat de verdachte door het gebruik van de onderzoeksresultaten ernstig in zijn verdediging is geschaad;

c. dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien door toedoen van de normschending er geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak, die aan de eisen van een eerlijk proces voldoet.

(...)

7. Bij de beoordeling van de normschending en de daaraan te verbinden gevolgen, alsmede bij de afweging van de in het geding zijnde belangen houdt de rechter in het bijzonder rekening met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt, en de mate van verwijtbaarheid van degene die de norm schond."

2.4. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. art. 413, vijfde lid onder c, SvNA voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is ingevolge dat artikellid alleen plaats indien door toedoen van de normschending geen sprake kan zijn van een eerlijk proces.

2.5. Het Hof heeft vastgesteld dat een van de verhorende verbalisanten een plastic fles uit de handen van de verdachte heeft geschopt zonder dat het gedrag van de verdachte aanleiding had gegeven tot dat trappen. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat de verhorende verbalisant dat enkel heeft gedaan uit frustratie over onbevredigende antwoorden van de verdachte en ter intimidatie. Naar het oordeel van het Hof behelst deze vorm van agressie een schending van voor de procesvoering wezenlijke normen. Het Hof heeft aan die normschending het gevolg verbonden dat de Procureur-Generaal in zijn vervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daarbij heeft het Hof ook betrokken de ernst van de aan de verdachte verweten gedraging en de omstandigheid dat de leiding van het politiekorps geen actie heeft ondernomen tegen bedoelde opsporingsambtenaar.

2.6. Gelet op hetgeen in 2.4 is overwogen en in aanmerking genomen de in art. 413, zevende lid, SvNA gestelde eisen voor de beoordeling van aan de normschending te verbinden gevolgen, is het oordeel van het Hof dat de Procureur-Generaal niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging niet begrijpelijk.

2.7. Het middel is gegrond.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

verwijst de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, H.A.G. Splinter-van Kan, W.F. Groos en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 16 november 2010.