Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM0472

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-04-2010
Datum publicatie
09-04-2010
Zaaknummer
08/02026
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2008:BC8839, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting, vaststellingsovereenkomst; uitspraak van gerechtshof over eerder jaar belet inkomenscorrecties van de Inspecteur in latere jaren niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2010/182
FED 2010/58 met annotatie van A.K.H. KLEIN SPROKKELHORST
V-N 2010/18.6 met annotatie van Redactie
FutD 2010-0917
NTFR 2010/1069 met annotatie van Mr. I.R.J. Thijssen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 08/02026

9 april 2010

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 maart 2008, nrs. 07/00284 en 07/00285, betreffende aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1998 en 2000 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. De aanslag voor het jaar 1998 is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur verminderd en de aanslag voor het jaar 2000 is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

De Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 05/2016 en 05/2018) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslagen verminderd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank incidenteel hoger beroep ingesteld bij het Hof met betrekking tot de voor het jaar 1998 opgelegde aanslag.

Het Hof heeft het principale beroep ongegrond en het incidentele beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de aanslag voor het jaar 1998 en het belastbare inkomen over het jaar 1998 nader vastgesteld. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. In de onderhavige jaren handelde belanghebbende in postzegels. Tevens was belanghebbende onder meer enig aandeelhouder van A B.V. (hierna: de BV).

3.1.2. Ten behoeve van de postzegelhandel heeft belanghebbende bedragen geleend van de BV, welke leningen zijn verwerkt in de rekening-courant van belanghebbende bij de BV.

3.1.3. Met betrekking tot deze leningen hebben belanghebbende, de BV en de Inspecteur in april 1997 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin onder meer is bepaald dat ingaande 1 januari 1997 jaarlijks een minimumbedrag aan rente en aflossingen op de leningen daadwerkelijk betaald wordt. Verder is in de vaststellingsovereenkomst het volgende bepaald:

"Indien ultimo van enig jaar een schuld bestaat die strijdig is met wat hierboven is overeengekomen, dan zal het afwijkende gedeelte op genoemd tijdstip als netto winstuitdeling worden aangemerkt en zal de BV hiervan (...) aangifte doen voor de dividendbelasting (gebruteerd), waarbij de BV deze verschuldigde belasting voor haar rekening neemt (...)."

3.1.4. In het jaar 1997 heeft belanghebbende in afwijking van het in de vaststellingsovereenkomst bepaalde geen rente betaald en heeft hij te weinig afgelost op de rekening-courantschuld.

3.1.5. De Inspecteur heeft het door belanghebbende over het jaar 1997 opgegeven belastbare inkomen van nihil in verband daarmee verhoogd met een winstuitdeling ter grootte van het op de rekening-courant ultimo 1997 openstaande bedrag van ƒ 979.852 en dienovereenkomstig een aanslag opgelegd.

3.1.6. In de beroepsprocedure over die aanslag heeft belanghebbende ter zitting bij het gerechtshof alsnog het standpunt ingenomen dat het belastbare inkomen ƒ 989.838 moest bedragen en heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat het inkomen ƒ 299.484 moest zijn. Het gerechtshof heeft naar aanleiding van de gewijzigde standpunten vastgesteld dat geen geschil meer bestaat over de hoogte van die aanslag (Gerechtshof Amsterdam 23 maart 2004, nr. 02/03976, LJN AQ6985).

3.1.7. Nadien heeft de Inspecteur de aanslag voor het jaar 1997 ambtshalve verminderd tot het door hem voorgestane bedrag.

3.1.8. In de jaren 1998 en 2000 heeft belanghebbende geen aflossingen en rentebetalingen gedaan op de rekening-courantschuld. De Inspecteur heeft met een beroep op de vaststellingsovereenkomst voor deze jaren winstuitdelingen in aanmerking genomen.

3.2. Voor het Hof was - onder meer - in geschil of de hiervoor in 3.1.6 genoemde uitspraak van het gerechtshof van 23 maart 2004 het de Inspecteur belet de inkomens over de jaren 1998 en 2000 te corrigeren.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de meergenoemde uitspraak van 23 maart 2004 niet een inhoudelijk oordeel bevat over het moment waarop de rekening-courantvordering van belanghebbende op de BV (bedoeld zal zijn de schuld aan de BV) is afgewikkeld. Aangezien belanghebbende zich in die procedure akkoord verklaarde met het aanvankelijke standpunt van de Inspecteur, heeft het gerechtshof zijn toenmalige beslissing louter op de formele grond gebaseerd dat het niet tot een lagere aanslag kon beslissen, aangezien het gebonden was aan de reikwijdte van het geschil zoals dat uiteindelijk door partijen was bepaald, aldus het Hof.

Voorts acht het Hof belanghebbende en de Inspecteur aan de vaststellingsovereenkomst gebonden en oordeelt het dat de Inspecteur terecht de inkomens over de jaren 1997 (door middel van de ambtshalve verleende vermindering), 1998 en 2000 (door middel van de bijtelling bij de aangegeven inkomens) daarmee in overeenstemming heeft gebracht.

3.4.1. Het middel strekt onder meer ten betoge dat de aanslagen voor de jaren 1998 en 2000 geen stand kunnen houden, aangezien de Inspecteur gebonden was aan de uitspraak van het gerechtshof over de aanslag voor het jaar 1997, dat deze uitspraak meebracht dat de in de vaststellingsovereenkomst genoemde rekening-courantschuld per 1 januari 1998 niet meer bestond en voorts dat de ambtshalve verleende vermindering van de Inspecteur van de aanslag voor het jaar 1997 moet worden aangemerkt als détournement de pouvoir.

3.4.2. Voor zover het middel betoogt dat de Inspecteur de uitspraak van het gerechtshof betreffende de aanslag voor het jaar 1997 heeft genegeerd, faalt het, reeds omdat het gerechtshof in de procedure betreffende de aanslag voor het jaar 1997 niet toekwam aan de beoordeling van de gevolgen van de vaststellingsovereenkomst, zodat de thans bestreden uitspraak daarmee niet in strijd kan komen.

3.4.3. Het middel faalt ook voor zover het betoogt dat de ambtshalve verleende vermindering van de aanslag voor het jaar 1997 moet worden aangemerkt als détournement de pouvoir. De ambtshalve verleende vermindering van de aanslag voor het jaar 1997 belette het belanghebbende immers niet om in de aanhangige procedure over de aanslagen voor de jaren 1998 en 2000 de uitleg van de vaststellingsovereenkomst voor te leggen aan het Hof. Na de ambtshalve verleende vermindering is de aanslag voor het jaar 1997 ook in overeenstemming met de door het Hof gegeven uitleg van de vaststellingsovereenkomst, welke uitleg in cassatie onbestreden is.

3.4.4. Het middel kan ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2010.