Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM0277

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
08/04449
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM0277
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzoek verdediging. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het verzoek voorwaardelijk is gedaan, te weten voor het geval het Hof de stelling van de OvJ overneemt. Nu het Hof die stelling niet heeft overgenomen, is de aan het verzoek verbonden voorwaarde niet vervuld, zodat het Hof niet gehouden was uitdrukkelijk op het verzoek te beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 732
NJB 2010, 1282
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 juni 2010

Strafkamer

Nr. 08/04449

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 mei 2008, nummer 23/000256-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.M.H. van Vliet, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover inhoudende de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt onder meer over de afwijzing van het verzoek van de verdediging om het paspoort van de verdachte ter verificatie op te sturen naar de ambassade.

2.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 4 januari 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in het bezit was van een reisdocument, te weten een nationaal paspoort van Liberia, voorzien van het nummer [001], op naam gesteld van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1979, waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vervalst was."

2.3.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2008 houdt het volgende in:

"De advocaat-generaal voert het woord. (...) In haar requisitoir haalt de advocaat-generaal een stuk aan, waarover het hof en de raadsvrouw niet blijken te beschikken, zijnde volgens de advocaat-generaal een checklist van de afdeling falsificaten van de Koninklijke Marechaussee.

Zij overhandigt aan het hof en aan de raadsvrouw een fotokopie van bedoeld stuk.

De raadsvrouw verzoekt daarop om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting, teneinde bij de Liberiaanse autoriteiten navraag te doen naar hetgeen op deze checklist staat vermeld.

De advocaat-generaal deelt mede zich tegen aanhouding van het onderzoek om deze reden te verzetten. Zij deelt mede dat zij ervoor kiest om het bedoelde stuk niet in de procedure in te brengen.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissingen van het hof het volgende mede. Het verzoek tot nader onderzoek naar hetgeen op de checklist staat vermeld, wordt afgewezen, nu de noodzaak daartoe niet is gebleken. Het zojuist door de advocaat-generaal overgelegde stuk maakt immers nog geen deel uit van het procesdossier, nu het stuk weliswaar is voorgehouden door de advocaat-generaal, maar zij vervolgens heeft aangegeven dat zij wenst dat dit stuk geen deel uitmaakt van het dossier, zodat het hof geen acht kan slaan op de inhoud van dit stuk.

Voorzover het verzoek van de raadsvrouw betrekking heeft op het instellen van een onderzoek naar hetgeen door de Koninklijke Marechaussee is gerelateerd, inhoudende dat de desbetreffende identiteitskaart sedert juni 1990 in deze vorm niet meer wordt uitgegeven, is het hof van oordeel dat de noodzaak voor een dergelijk onderzoek onvoldoende is onderbouwd, mede gelet op het feit dat op de rolzitting van 4 maart 2008 niet is gevraagd om een dergelijk onderzoek, terwijl thans geen sprake is van nieuwe gegevens ten opzichte van het tijdens die terechtzitting verhandelde.

(...)

De raadsvrouw voert het woord tot verdediging. De raadsvrouw doet dit aan de hand van haar pleitnotities, die door haar aan het hof worden overgelegd en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt. De raadsvrouw voegt hieraan toe dat zij de verdachte heeft uitgelegd dat onderzoek naar zijn documenten thans niet meer mogelijk is, aangezien op de rolzitting van 4 maart 2008 is medegedeeld dat de verdediging geen nader onderzoek noodzakelijk achtte.

De raadsvrouw legt een stuk afkomstig van de Liberiaanse ambassade te Parijs van 13 maart 2007 over, welk stuk door de voorzitter in het dossier wordt gevoegd."

2.3.2. De hiervoor onder 2.3.1 genoemde pleitnotities houden het volgende in:

"Cliënt (...) stelt dat het niet juist is dat zijn Liberiaanse paspoort vals is en tracht dit aan te tonen.

De uitleg van cliënt is als volgt.

Het paspoort is niet vals of vervalst, het is zijn paspoort. Hij heeft iemand in Liberia verzocht om een nieuw paspoort aan te vragen. Zelf verblijft hij normaal gesproken bij vrouw en kind in Frankrijk waar hij een asielstatus heeft. Hij stelt dat er - tevens omdat hij niet zelf aanwezig was bij het aanvragen en ophalen van het paspoort - fouten zijn gemaakt bij het maken ervan. Vervolgens heeft hij het paspoort moeten terugsturen om het te herstellen. Cliënt heeft voor elke onvolkomenheid een verklaring. De wijze van maken en afgifte van paspoorten zijn in een land als Liberia nu eenmaal anders. Dit kan niet direct de conclusie dragen dat een paspoort dan maar vervalst is. Neen, het wordt slechts met minder zorgvuldigheid gemaakt. Dit wil niet zeggen dat cliënt niet degene is die hij zegt dat hij is en het gaat om een vervalst of een vals paspoort.

De afdeling falsificaten heeft geconstateerd dat het paspoort vervalst is, de Officier heeft hieraan toegevoegd op de zitting dat dit paspoort sinds jaren niet meer wordt uitgegeven. Deze stelling is totaal niet onderbouwd maar wordt wel door de rechtbank overgenomen. Cliënt bestrijdt dit en verzoekt nogmaals om zijn paspoort op te sturen ter verificatie naar de ambassade. Cliënt heeft reeds verzocht aan de ambassade om op papier te zetten of hij degene is die hij zegt dat hij is. Dit is door de ambassade bevestigd. Cliënt overlegt een officieel schrijven van de Liberiaanse ambassade te Parijs waarin wordt aangegeven dat degene op de foto (cliënt) [verdachte] is. Hieruit kan reeds de conclusie worden getrokken dat het niet juist kan zijn dat het paspoort vervalst is als het Openbaar Ministerie stelt. Immers, de foto klopt met de persoon van cliënt.

Door de Liberiaanse ambassade te Brussel is per telefax bevestigd dat het mogelijk is om een paspoort in Liberia aan te laten vragen en op te halen. Cliënt overlegt bij pleitnota dit stuk. Tevens overlegt cliënt een email correspondentie met een medewerkster van de Verenigde Naties die voor hem het paspoort in Liberia heeft aangevraagd, opgehaald en naar Frankrijk heeft verstuurd, alsmede het "tracking-bewijs".

De rechtbank heeft in haar overweging omtrent het bewijs aangegeven dat zij het een feit van algemene bekendheid acht dat ook de Liberiaanse ambassade correcte paspoorten verstrekt en dat het onnodig is om hierop wijzigingen aan te brengen. Deze bewijsoverweging is alleen hierom al onjuist, aangezien cliënt afdoende heeft aangetoond dat het paspoort in Liberia is gemaakt en niet via de ambassade. Tevens heeft de ambassade vastgesteld dat dit een normale gang van zaken is, hoe daar ook in Nederland tegenaan gekeken wordt."

2.3.3. Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in.

"Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde is door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat geen sprake is van een vervalst paspoort. Volgens de verdachte heeft hij het paspoort, in de staat waarin het zich ten tijde van zijn aanhouding bevond, via DHL vanuit Liberia ontvangen van de daartoe bevoegde Liberiaanse autoriteiten.

De verdachte heeft over de wijze waarop hij het paspoort heeft aangevraagd wisselende verklaringen afgelegd. Zo heeft hij op 4 januari 2008 tijdens zijn verhoor door de Koninklijke Marechaussee verklaard dat de aanvraag van een paspoort niet in Europa kan gebeuren en dat zijn familie het daarom voor hem had aangevraagd.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2008 heeft hij echter verklaard dat het wel mogelijk was om het paspoort bij de ambassade in Parijs aan te vragen, maar dat dit langer zou duren dan wanneer hij het met behulp van zijn familie in Liberia zou aanvragen. Volgens de verdachte heeft hij het paspoort vervolgens door familie in Liberia laten aanvragen en vervolgens via DHL in Le Havre op zijn woonadres ontvangen, terwijl uit een aan de pleitaantekeningen van zijn raadsvrouw gehecht faxbericht van de Liberiaanse ambassade, gevestigd te Brussel, valt af te leiden dat het weliswaar mogelijk is dat in Liberia familieleden voor een betrokkene woonachtig in het buitenland een paspoort aanvragen, maar dat die betrokkene zijn paspoort zelf op de ambassade dient op te halen. Ook kan uit de door de raadsvrouw overgelegde verklaring van 13 maart 2007 van de ambassade van Liberia te Parijs niet volgen dat de verdachte zijn paspoort te Liberia heeft aangevraagd middels familieleden, nu in die verklaring met zoveel woorden is vermeld dat de verdachte die aanvraag op de ambassade heeft gedaan en in afwachting van dat paspoort die verklaring heeft ontvangen. Voorts heeft de verdachte zowel bij de Koninklijke Marechaussee op 4 januari 2008 als ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2008 verklaard dat er op zijn verzoek een fout in het paspoort is hersteld, te weten het veranderen van de initialen [verdachte] in [verdachte] Deze verbetering valt naar het oordeel van het hof niet te rijmen met de door de Koninklijke Marechaussee op het paspoort aangetroffen snijlijnen en beschadigingen.

Op grond van het vorenstaande acht het hof niet aannemelijk dat het paspoort is uitgegeven in de staat zoals het paspoort door de Koninklijke Marechaussee op 4 januari 2008 onder de verdachte is aangetroffen, te weten met - duidelijk zichtbare - snijlijnen rechts naast de pasfoto en overige beschadigingen; zoals in de bewijsmiddelen genoemd."

2.4. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het verzoek van de verdediging voorwaardelijk is gedaan, te weten voor het geval het Hof de stelling van de Officier van Justitie overneemt dat het onderhavige paspoort sinds jaren niet meer wordt uitgegeven. Nu het Hof deze stelling niet heeft overgenomen, is de aan het verzoek verbonden voorwaarde niet vervuld, zodat het Hof niet gehouden was uitdrukkelijk op het verzoek te beslissen. In zoverre faalt het middel.

2.5. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 1 juni 2010.